Spraakorgaan – Een kleurige prent in een merkwaardig boek

Afb. 1. l’Organe de la parole, strottenhoofd, tong en de omringende spieren en bloedvaten. Kleurenmezzotint door J.F. Gautier d’Agoty, 1771. De chirurgijn Dessault is in zijn uitleg van deze anatomische illustratie tamelijk kritisch. Hij vond sommige details te groot, andere te klein en weer andere te vaag.

Vorige maand voegde Rijksmuseum Boerhaave een bijzonder boekje toe aan het antiquarische deel van zijn bibliotheekcollectie. Het gaat om Histoire naturelle de la parole, een studie over het ontstaan van taal, geschreven door Antoine Court de Gébelin (1725-1784) en uitgegeven in Parijs in 1776. De titelpagina leert ons ook nog dat dit boek een uittreksel is uit een groter werk van dezelfde auteur: Le monde primitif.

De voornaamste reden voor Boerhaave om dit boek te verwerven is de gravure in kleur die zich tussen pagina 384 en 385 bevindt. Deze is van Jacques Fabien Gautier d’Agoty (1711-1786), een graveur en uitgever die een bijzondere plaats inneemt in de wereld van de 18de-eeuwse wetenschappelijke illustraties. Om die reden vormt het werk van Gautier d’Agoty een van de acquisitie-aandachtspunten van Rijksmuseum Boerhaave. Mooie voorbeelden van Gautiers anatomische illustraties zijn te vinden in de collectie en te zien in de vaste presentatie van het museum. En soms kunnen we iets toevoegen aan deze deelcollectie, zoals het onderhavige boekje. Maar niet alleen de prent van Gautier d’Agoty is interessant, ook de verdere inhoud van het boekje en zijn auteur zijn intrigerend. Beide wil ik in dit artikel belichten.

Jacques Fabien Gautier d’Agoty, kleurenspecialist
Om met de prent te beginnen: deze stelt de anatomie van het strottenhoofd en de tong voor, met de spieren en bloedvaten: ‘les organes de la parole.’ De afbeelding gaat vergezeld door een uitleg van de anatomische details door de chirurgijn en ‘demonstrateur d’anatomie’ Dessault. Court de Gébelin schrijft dat hij in zijn eerdere studie over hetzelfde onderwerp een zwart-wit illustratie van de spraakorganen had bijgevoegd, maar dat deze nieuwe versie in kleur door Gautier d’Agoty zijn publiek nog beter zal bevallen. (afb 1)

Hoewel niet de uitvinder van het kleurendruk-procédé – dat was zijn leermeester Jacob Christophe le Blon – was Jacques Fabien Gautier d’Agoty in de tweede helft van de 18de eeuw dé specialist op het gebied van de wetenschappelijke kleurenillustratie. Hij leidde een productieve uitgeverij waarin ook zijn zoons werkzaam waren. Naast werk in opdracht gaf hij periodieke publicaties uit: Observations périodiques sur l’histoire naturelle [. . .], rijkelijk voorzien van zijn gekleurde gravures.

Aan de basis van de kleurendruk-techniek van Le Blon en Gautier d’Agoty stond de mezzotint of zwartekunstprent. Dit is een grafische techniek waarbij de hele koperplaat waarvan gedrukt wordt met een getand wiegijzer wordt opgeruwd. Vervolgens wordt dit ruwe oppervlak meer of minder glad gepolijst. Hoe gladder het oppervlak, hoe minder inkt de plaat daar vasthoudt en hoe lichter dat deel zal zijn op de afdruk. Zo kun je variëren van diep fluwelig zwart tot helder wit. De mezzotint is dus een toonprocédé.

Juist omdat de mezzotint een toonprocedé is, bood het mogelijkheden in de zoektocht naar
kleurendruk. Het was al bekend dat vermenging van pigmenten nieuwe kleuren oplevert.
Blauw en geel bijvoorbeeld leveren groen op, waarbij de verhouding tussen blauw en geel
gradaties in de kleur groen bepaalt. Precies het aanbrengen van zo’n graduele vermenging
van kleuren was mogelijk met de mezzotint-techniek door twee of meer verschillend
gekleurde platen over elkaar heen te drukken. In navolging van zijn leermeester Le Blon
kwam Gautier d’Agoty uit op drie kleuren – blauw, geel (neigend naar wit) en rood – in drie
drukgangen om zijn gekleurde illustraties te maken. Meestal voegde hij nog een laatste
drukgang in zwart toe, voor accentuering van bepaalde details en eventueel voor de letters
behorend bij een legenda.

Afb. 2. Pasgeborene met ontlede buikholte, navelstreng, placenta, vrouwelijke voortplantingsorganen. Kleurenmezzotint door J.F. Gautier d’Agoty, 1759. Planche X uit Exposition anatomique de la structure du corps humain, 1759

Gautier specialiseerde zich vooral in de anatomische afbeelding. Daartoe putte hij veelvuldig
uit de nagelaten studies en aantekeningen van de ontleedkundige J.G. Duverney (1648-1730),
verbonden aan de Jardin du Roi. Zo was Gautiers magnum opus, het uit twintig platen
bestaande Exposition anatomique (1759), een compilatie van Duverneys ontledingen van
spieren, organen, bloedvaten en het skelet. Uit de twintig platen konden afbeeldingen van negen ontlede lichamen ten voeten uit worden samengesteld, plus een pasgeborene met details als de placenta en de navelstreng. (afb 2)

Het spectaculaire en sensationele lijkt bij de illustraties van Exposition anatomique wel de ontleedkundige informatieoverdracht te overheersen. Dit had alles te maken met het
commerciële instinct van de ondernemer Gautier d’Agoty. Meer dan de gespecialiseerde
geleerden was een breed algemeen wetenschappelijk geïnteresseerd publiek de doelgroep
van het uitgevershuis van Gautier. Een (on)gezonde dosis sensatiezucht in de anatomische illustraties kwam die commerciële ambities alleen maar ten goede.

Antoine Court de Gébelin en zijn utopische project
Een brede, algemeen wetenschappelijke interesse was er zeker in de tweede helft van de 18de eeuw. Bewondering voor de empirische wetenschappen, voor een rationele benadering van de wereld, was wijdverbreid en strekte zich uit tot ver buiten de natuurwetenschappen. Soms leidde dat tot merkwaardige uitwassen en dat brengt ons bij Antoine Court de Gébelin, de schrijver van het boekje waarin Gautier d’Agoty’s kleurenillustratie van de spraakorganen is opgenomen.

Court de Gébelin had een protestantse achtergrond. Geboren in het Zuid-Franse Nimes als zoon van een prominente Hugenoot, werd hij in 1754 in Zwitserland beroepen als pastor. Terug in Frankrijk zette hij zich als schrijver in als verdediger van de protestantse godsdienst. In 1771 werd hij in Parijs geïnitieerd in de vrijmetselarij. Hij trad uiteindelijk toe tot de loge Les neuf soeurs, waar hij beroemde mannen uit de kunsten en wetenschappen tot zijn logebroeders mocht rekenen, zoals de staatsman en geleerde Benjamin Franklin, de naturalist Bernard de Lacepede, de schrijver Voltaire, de beeldhouwer Jean Antoine Houdon en de astronoom Jerome de Lalande, die tevens de stichter was van de loge in 1776. De ledenlijst van Les neuf soeurs (de naam slaat op de muzen, de negen zusters van Apollo) leest als een who is who van de Verlichting.

In dit intellectueel vooruitstrevende gezelschap neemt Court de Gébelin een wat excentrieke plaats in. Zijn levenswerk is het negendelige Le monde primitif, analysé et comparé avec le monde moderne [. . .] dat verscheen tussen 1773 en 1782 en waarvan het hier besproken boek een ‘extrait’ is. Gébelin gaf zijn werk uit in eigen beheer, daartoe in staat gesteld door zo’n achthonderd betalende abonnees. Het doel van Gébelins ambitieuze project was de reconstructie van de oer-wijsheid, de oorspronkelijke kennis van de wereld die de mens bezat in het Paradijs en die rechtstreeks van God afkomstig was. Hiermee lijkt Court de Gébelin aan te sluiten bij een esoterische en hermetische traditie die sinds de 16de eeuw af en aan opduikt in het westerse denken. Bijvoorbeeld in de meer mystieke kant van de vrijmetselarij. Gébelins maçonnieke betrokkenheid is dan ook zeker van invloed geweest op zijn onderzoeksproject.

Afb. 3. Alphabet primitif, hoe letters uit het alfabet zijn ontstaan uit afbeeldingen van concrete zaken. Zo zou de letter A zijn ontstaan uit de afbeelding van een wijdbeens staande mensfiguur: celui qui a (hij die heeft). Illustratie uit Histoire naturelle de la parole.

Taal, of meer bepaald de verhouding tussen het woord en het ding, was voor Gébelin de sleutel tot de God-gegeven oerwijsheid. Taal was ook de reden om de kleurenillustratie van het strottenhoofd en de tong in zijn boek op te nemen. Het spraakorgaan is immers het instrument dat taal mogelijk maakt en dat ons onderscheidt van de andere wezens, aldus Gébelin. Door talen te vergelijken en door een – nogal fantasievolle – vorm van etymologie wilde hij de universele taal reconstrueren die de mensheid volgens de Bijbel deelde voor de Babylonische spraakverwarring. Uiteindelijk, zo beloofde Gébelin zijn lezers, zou zijn project zelfs een woordenboek opleveren van die universele oertaal. Maar zover is het nooit gekomen. Het onderzoek naar de oertaal liep vast in onbewijsbare speculatie. Nog voor zijn overlijden in 1785 een definitief einde aan het project maakte, waren de meeste van Gébelins abonnees (en geldschieters) dan ook al afgehaakt. (afb 3)

Hoewel uiteindelijk het product van een mislukt onderzoeksproject, laat Histoire naturelle de la parole zien dat het geloof in de wetenschap en het rationalisme van de 18de eeuwse Verlichting ook plaats bood aan utopieën die we eerder met mystiek en esoterie associëren. En dat deze utopieën afkomstig konden zijn uit hetzelfde milieu als de meer geaccepteerde voortbrengselen van de rede.

Geraadpleegde bronnen:

Deel dit

Plaats een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *