Scherven Verhalen – Fragmenten uit Troje

Archeologen treffen in opgravingen het verleden vaak in fragmenten aan. Zeker breekbare objecten zoals aardewerken potten vinden ze vaak terug in scherven.

Museumvitrines tonen echter een andere werkelijkheid. Zorgvuldig gerestaureerde objecten schitteren achter glas zonder een scheur of breuk. In de depots van het Allard Pierson worden er kastladen vol aardewerken scherven uit beroemde archeologische vindplaatsen bewaard. Deze hebben nooit hun weg gevonden naar de expositieruimte en het publiek, maar alle collecties hebben een bijzonder verhaal. In de blogreeks ‘Scherven Verhalen’ worden enkele schervencollecties in het Allard Pierson uitgelicht.

In de depots van het Allard Pierson wordt een collectie van een vijftigtal scherven, fragmenten van aardewerken potten en andere gebruiksvoorwerpen zoals spinsteentjes bewaard. Alle objecten zijn afkomstig uit Troje (afb. 1). De Duitse zakenman en archeoloog Heinrich Schliemann, die precies 200 jaar geleden op 6 januari 1822 werd geboren, was de eerste die systematische opgravingen deed in Troje. Naar eigen zeggen werd hij als klein jongetje door zijn vader voorgelezen uit de Ilias van Homerus: het verhaal over onder andere de strijd tussen de Grieken en de Trojanen. Met deze mythe op zak, maakt Schliemann een rondreis door Griekenland en het Ottomaanse Rijk om op zoek te gaan naar het mythische Troje. De Britse diplomaat en handelsvertegenwoordiger Frank Calvert overtuigt Schliemann ervan dat Troje zou liggen bij de heuvel van Hisarlık (ruïneheuvel) in het gebied ten zuidoosten van de Dardanellen. In 1870 begint Schliemann met een proefopgraving en hij blijft tot aan zijn dood in 1890 onderzoek doen op deze plek.

De collectie scherven in het Allard Pierson staat in schril contrast met wat men zou verwachten van een dergelijke mythische stad waar Schliemann eveneens een goudschat (afb. 2) opgroef, die hij toeschreef aan de Trojaanse koning Priamus. De vrij onooglijke, onbeschilderde scherven zijn dan ook nooit opgesteld voor publiek. Hoe komt een dergelijke collectie de museummuren binnen?

Afb. 2 Portret van Sophia Schliemann omhangen met een deel van de goudschat van Priamus. Bron: Commons Wikimedia

Op de inventariskaarten is geschreven dat het merendeel van de collectie objecten uit Troje uit de collectie C.W. Lunsingh Scheurleer komt. De collectie antieke voorwerpen van deze Haagse bankier en verzamelaar vormde de basis voor het Allard Pierson Museum opgericht in 1934. In het correspondentiearchief van Lunsingh Scheurleer is te lezen dat de scherven uit Troje in 1915 werden aangeboden door de bevriende archeoloog, verzamelaar en kunsthandelaar Paul Arndt uit München. In de tijd van de Eerste Wereldoorlog en de periode erna  kwamen vele Duitse collecties op de markt vanwege de economische crisis. De collectie Trojaanse scherven blijkt van de Duitse archeoloog Paul Wolters (1858-1936) te zijn, die sinds 1908 professor Klassische Archäologie aan de universiteit van München was.

Eerder in zijn carrière, tussen 1887 en 1900, was Wolters secretaris aan het Deutsches Archäologisches Institut (DAI) in Athene. Het DAI was dé thuishaven voor de Duitse archeologen in het Egeïsch gebied en Klein Azië. Wolters was als een spin in het web in dit netwerk. Hij stond in nauw contact met Schliemann en diens vrouw Sophia, en werkte onder Wilhelm Dörpfeld, de toenmalige directeur van het DAI in Athene. Na het overlijden van Schliemann in 1890, neemt Dörpfeld in 1893 en 1894 de opgravingen in Troje over. Het is goed mogelijk dat Wolters de scherven uit Troje in die periode gekregen heeft van zijn collega’s, maar het kan ook zijn dat hij ze er zelf heeft opgeraapt. In ieder geval schrijft hij zijn initiaal ‘W’ op de vondsten en uit welke aardlaag (“Schicht”) deze afkomstig is (afb. 3). Jaren na de aankoop schrijft Wolters in 1925 aan Lunsingh Scheurleer dat het een moeilijke beslissing voor hem was om zijn geliefde stukken uit Troje van de hand te doen, maar dat het hem troost biedt dat de collectie in handen is gekomen van een ‘verstehenden Sammler’. De reden dat deze collectie Wolters zo dierbaar was? Het herinnerde hem waarschijnlijk aan betere tijden, maar vooral natuurlijk vanwege het feit dat deze scherven Troje, de plek waar Griekse helden de Trojanen belegerden, tastbaar maakten. Dat is natuurlijk ook de reden dat Lunsingh Scheurleer deze collectie aankocht, waarmee het uiteindelijk in het Allard Pierson terechtkwam.

Afb. 3 Detail van fragment met het opschrift ‘Troja I Schicht.’

Sinds 2016 is de Universiteit van Amsterdam onder leiding van dr. Gert Jan van Wijngaarden betrokken bij het archeologisch onderzoek in Troje. In het project ‘Archaeology of Archaeology at Troy’ onderzoekt het Amsterdamse team de sporen van 150 jaar opgravingen in Troje.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.