Koloniale economie aan de R.K. Handelshogeschool, de voorganger van Tilburg University

Het is bij meerdere mensen bekend dat in 2027 Tilburg University precies honderd jaar bestaat en dat deze instelling is ontsproten uit de Roomsch Katholieke Handelsho(o)geschool. Maar ongetwijfeld weten maar weinigen dat deze handelshogeschool in de beginjaren diverse vakken aanbood die opleidden voor handelsbetrekkingen en economische activiteiten in de voormalige Nederlandse koloniën en dan met name in Nederlands-Indië.

Historische en wetenschappelijke interesse

Eerste jaarboek van de R.K. Handelshoogeschool Tilburg, 1927-1928 (collectie Tilburg University)

De afgelopen jaren is er in toenemende mate historische en wetenschappelijke interesse in het koloniale verleden van allerlei Nederlandse instituties, inclusief de hogere onderwijsinstellingen. Hierbij wordt ook de eigen geschiedenis kritisch onder de loep genomen. Zo verscheen onlangs nog het SAE-rapport Verzameld in naam van de wetenschap. Omgang met universitaire collecties uit een koloniale context. Daarnaast besteden verschillende Nederlandse steden hier in toenemende mate aandacht aan. Zo zal dit voorjaar een publicatie verschijnen over het koloniale verleden van Tilburg. Daarin zal de Tilburgse onderzoekster dr. Tessa Leesen een apart hoofdstuk wijden aan de rol van het koloniale verleden aan onze universiteit, van het begin tot heden ten dage. Zij onderscheidt in die ontwikkeling vier historische fasen. De eerste fase loopt van 1927 tot ca. 1962 en is hoofdzakelijk koloniaal gericht, met alle vooroordelen die daarbij horen en waarin de overzeese gebiedsdelen veelal als wingewesten werden opgevat. De tweede fase breekt in 1962 aan als het Instituut voor Ontwikkelingsvraagstukken wordt opgericht. Vanuit zowel een paternalistische als ook emancipatoire houding worden economische vraagstukken uit de Derde Wereldlanden bestudeerd, in de hoop daar een hogere levensstandaard te realiseren. De derde fase breekt midden jaren tachtig aan als het tweetalig onderwijs en taalgedrag, mede ingegeven door de politiek, hoog op de wetenschappelijke agenda komt te staan. Rond de eeuwwisseling treden we de laatste fase binnen, die nog steeds gaande is, en gekenmerkt wordt door pluriformiteit en kritische bevraging van dat koloniale verleden.

Mij is het hier te doen om die eerste fase binnen de geschiedenis van de Tilburgse hogeschool. Gekeken zal worden naar de motieven en invulling van dit koloniale curriculum, de samenstelling van het docentkorps en de aantrekkingskracht van de opleiding, ook voor overzeese studenten.

Kardinaal Willem van Rossum

In zijn openingswoord schreef de Nederlandse kardinaal Willem van Rossum in 1927 ‘hoe gewichtig is het voor geheel het katholieke leven in Nederland en niet minder in Nederlandsch Indië, dat wij een groot aantal degelijke, geheel volgens roomsche beginselen opgevoede en gevormde, handelslui bezitten. De katholieke emancipatie was hiermee weer een stap dichterbij gebracht en Roomse jongeren die interesse hadden in het bedrijfsleven hoefden niet meer naar de – op liberale principes gestoelde – Rotterdamse handelshogeschool, tot dan toe het enige serieuze alternatief. Van Rossum, als ‘missieprefect’ vertrouwd met de overzeese gebiedsdelen, greep dan ook zijn kans om tevens de toekomstige rol van de katholieke handelaren en bedrijfsleiders in de Nederlandse koloniën te benadrukken.

Spotprent van hoogleraar Emile Gimbrère, in 1947 vervaardigd door ‘Mockingbird’ (pseudoniem) (collectie Tilburg University)

Hoogleraar Emile Gimbrère

Hoewel het onderwijscurriculum van de Tilburgse instelling in 1927 nog in de kinderschoenen stond, werd wel al vanaf het begin rekening gehouden met vakken die op de Nederlandse koloniën gericht waren. Zo was een van de in totaal vijf hoogleraren bij aanvang van het eerste studiejaar onder meer belast met het vak ‘Capita selecta over Nederlandsch Oost-Indië’. Dit was Emile Gimbrère (1891-1949), een niet gepromoveerde hoogleraar, die een juridische achtergrond had en vóór zijn Tilburgse aanstelling als directiesecretaris van de Nederlandsch-Indische Handelsbank in Batavia werkzaam was geweest. Hij was meer een ‘praktijkman’, hetgeen ook al tot uiting kwam in de serie lezingen die hij in het eerste collegejaar 1927-1928 hield en die gingen over de financiering van de suikerindustrie en de suikerhandel op Java. In 1928 werden die lezingen gepubliceerd onder de titel Enige beschouwingen over de financiering van de suikerindustrie, waarmee het de eerste publicatie van de Tilburgse hogeschool werd. Om het belang van het onderwijs in de koloniale economie te onderstrepen, stelde de 35-jarige Gimbrère dat ‘onze Oost nog steeds de kurk [is] waarop Nederland drijft’. Zijn lezingencyclus werd gewaardeerd door de jonge studenten, vooral omdat hij spannende verhalen over Indië opdiepte. Dit koppelde hij steevast aan een pleidooi voor zijn toehoorders om een economische loopbaan in Nederlands-Indië te overwegen. Hij was niet de enige. De rector magnificus Thomas Goossens stelde in 1928 in een gezamenlijke vergadering met de Raad van Toezicht dat de ‘Indische studierichting’ al bij aanvang op het netvlies van de senaat had gestaan en dat van de 28 eerstejaars studenten er zeven voor deze richting hadden gekozen.

Tropische cultures

Om aan dit verlangen tegemoet te komen besloot het curatorium (het dagelijks bestuur) van de hogeschool om in de zomer van 1928 de scheikundige dr. J. Vriens (1866-1934) aan te stellen als privaatdocent ‘Tropische cultures’. In 1903 was hij naar Indië gegaan om te werken voor het proefstation van de Deli-tabak en in 1916 werd hij aldaar technisch directeur van de ‘Algemeene Vereeniging van Rubberplanters ter Oostkust van Sumatra’. Na zijn repatriëring in 1921 kwam hij te werken voor het Ministerie van Koloniën. Over zijn katholieke identiteit, een vereiste voor aanstelling aan de hogeschool, hoefde niet te worden getwijfeld, daar hij vanaf 1919 voorzitter was van de Indische Missievereniging.

Koloniale Economie en Politiek

In diezelfde tijd werd ook mr. H. Bogaardt, op dat moment nog advocaat en procureur in Batavia, benoemd tot lector in de ‘Koloniale Economie en Politiek’. Hij zou zijn werkzaamheden in Tilburg echter pas starten in september 1929, nadat ‘een onderzoek naar zijn reputatie als katholiek, bij voorkeur uit te voeren door de bisschop van Batavia, positief was afgerond’. In de tussentijd zouden mr. L. Vorstman en mr. H. van Wageningen de honneurs voor het vak waarnemen. Het studieprogramma Koloniale Economie en Politiek heeft tot in de jaren veertig bestaan. Het viel uiteen in de subvakken ‘Koloniale economie’ en ‘Koloniale politiek, geschiedenis en aardrijkskunde’. In het eerste – propedeutische – jaar dienden alle studenten wekelijks twee uur de vakken ‘Koloniale economie II’ en ‘Koloniale politiek II’ te volgen. Aan bod kwamen: ‘Rassen en volken in Nederlandsch-Indië, Het primitieve denken, Het volksinkomen, Koloniseeren en koloniale stelsel, Nederlanders en onderdanen en ‘De uitwendige opbouw van het Indisch Staatsrecht’. In het doctoraalexamen kon ook worden afgestudeerd in de richtingen van ‘Koloniale economie’ en ‘Koloniale politiek’.

Keuzevak ‘Maleis’

Interessant is dat vanaf het begin van de hogeschool het keuzevak ‘Maleis’ gekozen kon worden. Dr. Petrus van Gils, een van de grondleggers van de hogeschool, tipte hiervoor de heer J. van Eupen. Hij was oud-inspecteur van het onderwijs in Nederlands-Indië geweest, maar woonde sinds enige jaren alweer in Nederland. Lang heeft dit vak het overigens niet volgehouden, want in 1930 verdween het uit het curriculum, twee jaar later gevolgd door ‘Tropische cultures’ van Vriens. Alleen ‘Capita selecta over Nederlandsch-Indië’ van Gimbrère en de afstudeerrichting ‘koloniale economie en politiek’ van Bogaardt bleven bestaan tot net na de Tweede Wereldoorlog.

Overzeese economie, politiek en recht

Ongetwijfeld ingegeven door de politiek instabiele situatie op dat moment in ‘Indonesië’ als gevolg van de dekolonisatie, besloot het curatorium van de Tilburgse hogeschool in 1947 om de koloniale studierichting anders in te richten. Volgens de Tilburgse universiteitshistoricus Hans Bornewasser lag hier van buitenaf uitgeoefende druk aan ten grondslag om toch vooral ‘de oude koloniale gebieden niet uit het economisch oog te verliezen’. Concreet betekende dit dat in 1947 dr. Martinus de Haas (1891-1964), die vanaf het oprichtingsjaar 1927 al economische geschiedenis aan de hogeschool onderwees, het vak ‘Politieke en economische geschiedenis van Oost- en West-Indië’ ging doceren. Tegelijkertijd werd de jurist J.M. Pieters (1900-1974) met zijn rede ‘een en ander in verband met een hervatting der ondernemersactiviteit in Indonesië’ aangesteld tot bijzonder hoogleraar voor de leeropdracht ‘Overzeese economie, politiek en recht’. Vanaf 1951 werd dat verbreed naar ‘Oosterse economie en economie en politiek van de overzeese rijksdelen’, totdat het vak twee jaar later abrupt stopte.

Economisch-koloniaal onderwijs niet bijster in trek

Bekijken we de vooroorlogse studentenaantallen, dan moet vastgesteld worden dat het economisch-koloniale onderwijs in Tilburg niet bijster in trek was. Er waren jaren dat sommige vakken bij gebrek aan studenten zelfs niet werden gegeven. Uit de overzeese gebiedsdelen was het welgeteld één persoon, namelijk William Peter Cochrane (uit Pangkalan-Brandan), die voor een opleiding aan de Tilburgse hogeschool koos en daar in 1935 afstudeerde. In het studiejaar 1947-1948 was dit aantal gestegen naar dertien studenten afkomstig uit Nederlands-Indië, op een totaal van 721 ingeschrevenen. Kijken we naar het plaatje van de werkbetrekking, dan zien we dat aan het begin van de Tweede Wereldoorlog van de 115 Tilburgse afgestudeerden er niet meer dan vier werk hadden gevonden in de overzeese gebiedsdelen. Het aantal promoties op koloniale thema’s was zelfs niet-bestaand, afgezien van het proefschrift van Cees Scheffer over het bankwezen in Indonesië uit 1951. Promotor was niet Gimbrère maar de reeds genoemde Pieters. Gimbrère weet de geringe belangstelling voor de koloniale richting in Tilburg aan het feit dat het met name de oudere Nederlandse universiteiten en de Rotterdamse hogeschool, gelegen in het economisch en politiek invloedrijkere westen van ons land, waren die voor dit soort onderwijs altijd meer in trek waren geweest. Wat ongetwijfeld ook meespeelde was de geringe belangstelling bij de Nederlandse katholieke bovenlaag, afgezien van de missionarissen, voor Nederlands-Indië.

Roemloos ten onder

De ambtsketting van de rector, voorzien van de wapenschilden van Nederland, Tilburg en Nederlands-Indië (collectie Tilburg University)

Er is weinig bekend over het studiemateriaal en de lectuur die door de verschillende docenten van de koloniale richting gebruikt werd voor hun colleges. Toch geeft een vroege notitie over de aanvulling van het curriculum begin jaren dertig een zeldzaam inkijkje daarop. Zo werd Het arbeidsvraagstuk in Nederlands-Indië (1925) van George Gonggrijp, Handel en bedrijf in Zuid- en Oost-Borneo (1927) van dr. Roelof Broersma en Kolonialgeschichte van de Duits-chauvinistische historicus Dietrich Schäfer (1845-1929) voorgeschreven. Laatstgenoemde publicatie verscheen voor het eerst in 1906, maar beleefde daarna tallozen herdrukken. Gonggrijp (1885-1969) was een Nederlandse econoom, die in 1919 lector en vanaf 1926 hoogleraar in de Koloniale economie was geworden aan de Nederlandsche Handels-Ho(o)geschool in Rotterdam en later ook aan de Universiteit van Amsterdam. Naast de voorgeschreven literatuur konden de Tilburgse studenten ook verschillende prospectussen en periodieken van de Javabank (Amsterdam) en de Koninklijke Nederlandsche Petroleummaatschappij in de hogeschoolbibliotheek raadplegen. Deze lectuur was in 1927, door bemiddeling van Gimbrère en L. Trip, directeur van de Javaanse Bank én lid van de Tilburgse Raad van Toezicht, aan de hogeschool geschonken voor de opbouw van de eigen bibliotheek.

Hoewel de koloniale studierichting vrij snel roemloos ten onder ging aan de Tilburgse hogeschool, is één overblijfsel daarvan tot op de dag van vandaag gebleven. De rectorsketting die de gemeente Tilburg op 8 oktober 1927 cadeau deed aan de kersverse hogeschool was versierd met meerdere kleine wapenschilden van Nederland, Tilburg en Nederlands-Indië. Het tekent het optimisme en de hoopvolle verwachtingen die de katholieke onderwijsinstelling voor zichzelf zag weggelegd in de opleiding van katholieke handelslui die ook naar de Oost moesten gaan. Een wens die kardinaal Van Rossum eerder ook al formuleerde, maar die weinig succesvol bleek.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *