De eendenbek, een pen en male gaze in academische collecties

Iedere dag schrijft Wikipedia-activiste Jessica Wade een Wikipediapagina (al meer dan tweeduizend) over een vrouwelijke wetenschapper. Ik sloeg meteen aan het rekenen, hoeveel tijd besteedt deze Britse nanotechnologe dan aan het corrigeren van het beeld dat we nog steeds van de wetenschapsgeschiedenis hebben? 

Dat beeld blijft hardnekkig, er zijn weinig tot geen vrouwen in de wetenschap van vroeger. Als verdediging van dit beeld wordt meestal dan aangevoerd dat het geen kwestie van niet willen is. Niet dat er geen aandacht voor dit onderwerp zou zijn, maar een dat het een kwestie van ze niet kunnen vinden is, want ze zijn er niet. Die heersende gedachte is door Jessica Wade onderuitgehaald. Ook Margriet van der Heijden kantelt het beeld in haar publicatie: ‘Ongekend, over vrouwen in de natuurwetenschap die over het hoofd werden gezien’. Deze en gelukkig meerdere initiatieven hebben de male gaze op de wetenschap aan de kaak gesteld. Niet dat we er al zijn, maar er is duidelijk een verschuiving gaande. Nu wil ik hier niet verder ingaan op het verschil tussen mannen en vrouwen in de wetenschap. Waar ik juist naar wil kijken zijn collecties. Want ook daar is nog steeds de male gaze hardnekkig.  

Male gaze betekent in dezen dat collecties gecureerd, beschreven en bekeken worden vanuit het dominante, mannelijke perspectief. Jessica Wade en Margriet van de Heijden gaan in hun werk niet diepgaand in op de materiële cultuur van wetenschap. Ik zal een voorbeeld noemen. Johanna Westerdijk is een van de bekendste vrouwelijke onderzoekers uit de geschiedenis van de Nederlandse wetenschap. Ze verzamelde de grootste schimmelcollectie ter wereld in haar eigen instituut dat sinds een aantal jaar terecht haar naam draagt en heeft inmiddels haar verdiende wetenschappelijke biografie et cetera. Daar moet toch genoeg over te tonen zijn in een museum zou je zeggen. Dat valt bijster tegen. In 2017, bij het inrichten van de permanente tentoonstelling in Rijksmuseum Boerhaave, kwam ik niet verder dan één flacon met schimmelcultuur. Het enige tentoonstellingswaardige object van Hans Westerdijk (zoals ze zichzelf bij voorkeur liet noemen) wat mijn zoektocht had opgeleverd. 

Zouden de witte oude mannen dan toch gelijk hebben?

Als je wetenschappers zoals Westerdijk wil laten zien heb je een probleem, ze zijn er wel maar je ziet ze niet terug in collecties. Ik ben ervan overtuigd dat dit een kwestie van kijken is. En dat juist een blikverschuiving bijdraagt om voorbij de male gaze te komen. In plaats van objecten alleen als drager van informatie te laten zien (datering, maker, gebruik, functie et cetera) zou de aandacht van de bezoeker veel eerder getrokken, of beter gezegd, getroffen moeten worden door objecten meer vanuit het affect dat die objecten hebben te benaderen. Voor de duidelijkheid, affect moeten we niet verwarren met effect of affectie.  

Affect werd in de zeventiende eeuw al benoemd door Spinoza. Hij omschreef affect als het vermogen om te raken of geraakt te worden. Het door Spinoza beschreven affect (pijn, koud, invasief, kippenvel et cetera) is iets anders dan emotie. Pijn is een gevoel, verdriet is een emotie. Het voert te ver om hier dieper op dat verschil in te gaan. Het gaat erom dat objecten affect hebben. En sommige voorwerpen hebben een sterker affect dan andere – al zijn er persoonlijke verschillen. Een telescoop zal voor iemand die geïnteresseerd is in sterrenkunde meer doen dan een petrischaal bijvoorbeeld.

Hét verhaal bestaat niet.

Waterman fountain pen, ca. 1900.

Aan de hand van het volgende voorbeeld wil ik laten zien wat affect in een wetenschappelijke collectie bewerkstelligt. Naast elkaar liggen een vroeg twintigste eeuwse vulpen, merk Waterman (dat staat op het doosje dat erbij ligt) en een eendenbek of speculum. Ook al zegt de naam in eerste instantie misschien niet zo veel, een speculum is een van de bekendste medische instrumenten. Het is een metalen set lepels die wordt gebruikt voor inwendig gynaecologisch onderzoek. Iedereen met een baarmoeder komt het vroeg of laat tegen. Daar waar de pen er één uit duizenden is en niet veel doet. Daar doet de eendenbek het tegenovergestelde met de toeschouwer. Pijn, koud, invasief, het medische instrument heeft affect. De eendenbek is affectiever dan de pen in dit geval.

Speculum, 1900-1975.

Maar laten we nu eens kijken wat er gebeurt als een conservator er een tekstbordje bij zou schrijven. Het tekstje bij de eendenbek zal ongeveer zo gaan: Deze eendenbek, of speculum, werd gebruikt voor inwendig onderzoek bij vrouwen. Dit exemplaar is gemaakt door de firma Lameris in 1920. Niks mis mee, maar dat gaat voorbij aan het affect van het voorwerp. De tekst die bij de pen hoort, gaat ongeveer zo: Dit is de pen van Albert Einstein waarmee hij de wereldberoemde formule E = mc2 opschreef. 

Wat meteen opvalt is wat tekst hier doet. Het gewicht van de pen wordt ineens veel zwaarder ten opzichte van het speculum. Is dat niet heel vreemd? Dat het ‘verhaal’ ineens van het éne object een topstuk maakt (de pen) en van het andere (eendenbek) een ordinair werktuig. Dat wat hiervoor nog veel meer affect had, wordt onterecht gereduceerd tot een tweederangs object. En daar zit ’m nou precies de crux. Iedereen die tekstbordjes schrijft weet uit eigen ervaring dat er een mores voor tentoonstellingsteksten is. Teksten moeten feitelijk en informatief zijn. Niets verkeerds aan, maar dat maakt wel dat er geen plaats is voor affect. Dat terwijl persoonlijk geraakt worden voor bezoekers de meest natuurlijke ingang tot een object is.

Wetenschappelijke objecten zouden meer bekeken moeten worden in plaats van tekstbordjes gelezen. Dat zorgt voor meerstemmigheid. De eendenbek en de pen zijn daar maar één voorbeeld van. Er moeten meer voorbeelden gezocht en gevonden worden. En daarvoor moet dan wel eerst meer aandacht en onderzoek komen naar het affect van wetenschappelijke collecties.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *