Zeldzame rederijkersgravures

Op zondag 22 oktober 1606 namen twaalf rederijkerskamers deel aan het Haarlemse Landjuweel, dat georganiseerd werd door de plaatselijke kamer De Pellicanisten, ook wel bekend onder hun devies ‘Trou moet Blycken’. De feestelijke competitie van de dichtgenootschappen duurde tien dagen en moest het aanwezige publiek tot vrijgevigheid aanzetten. De competitie was namelijk verbonden aan een loterij die geld moest opbrengen voor de bouw van een nieuw oudemannenhuis in de stad. Vandaar dat dit Landjuweel in het teken stond van barmhartigheid en (naasten)liefde en de tegenpolen daarvan.

Aanwezig bij dit evenement was Zacharias Heyns, factor (dichtmeester) van de rederijkerskamer Het Wit Lavendel. Heyns was tevens de verslaggever van het evenement. Zijn verslag gaf hij zelf uit onder de titel het Const-thoonende iuweel (1607). Dit is het omvangrijkste en indrukwekkendste rederijkersverslag dat ooit is verschenen. Het bevat naast de gebruikelijke gedichten en toneelteksten namelijk ook dertien gedetailleerde gravures die de feestelijke binnenkomst van de rederijkerskamers illustreren. Dergelijk beeldmateriaal is uitermate zeldzaam. Een complete (en daarmee zeldzame) uitgave van dit verslag kunt u aanvragen en inzien bij Bijzondere Collecties in de Universiteitsbibliotheek Groningen.

Voor de binnenkomst kozen De Pellicanisten, zoals gebruikelijk was, een onderwerp: “Wat deucht oyt wracht, een Mensch barmhertich, liefdich goet, / En wat verschricklijck quaet, een gierich Mensch onvroet” (welke deugd en welk kwaad hadden een barmhartig, respectievelijk gierig mens ooit verricht). De kostuums en rekwisieten voor de intrede moesten er daarom niet alleen mooi uitzien, maar ook betekenissen kunnen overdragen.

Het overgrote deel van de rederijkerskamers koos voor een allegorische aanpak, zij gaven de deugden en kwaden weer door personificaties. Allen kozen ervoor om ook de morele consequenties van deugdzaamheid en gierig handelen uit te beelden, hiervan waren hemelse zaligheid en helse verdoemenis de twee uitersten. De conclusie lag voor de hand: wees barmhartig, niet gierig.

Gravures van de triomfpoort (links) en de toneelstellage (rechts)

De stoeten kwamen binnen door de triomfpoort. Voorop liepen de trommelslagers en vaandeldragers, gevolgd door de bestuursleden van de kamer met daarachter een rij personages. Op de toneelstellage herhaalden zij hun intrede, met toelichting in dichtvorm.

Twee uitgevouwen gravures van de binnenkomst van de Brabantse kamer van Amsterdam (boven) en de rederijkerskamer van Gouda (onder)

Uit een historische stadsrekening blijkt dat er nauwkeurige tekeningen van de intredes werden vervaardigd, inclusief een kleuropgave van de kostuums: “Betaelt Wijert Claesz., schilder, die somme van 10 guldens uyt saecke dat hij op papijer getrocken ofte geconterfeijt (afgebeeld) heeft nae ’t leven den intree van de rethorijckers deser stede, […] ende noch geteijckent de couleuren ofte bij geschrifte gestelt (opgeschreven) wat couleuren elcke personage gehadt heeft […]”. De gravures van de binnenkomst zullen naar deze tekeningen zijn gemaakt.

Deze gravures vormen een unieke bron voor kennis van allegorische toneelkleding en rekwisieten die de rederijkers gebruikten; de personages in de stoet kwamen namelijk later in hetzelfde kostuum terug in een moraliserend toneelstuk. Over het gebruikte materiaal is niet veel duidelijk, maar in de chaerte (uitnodiging) staat dat het “opper-cleet” (het buitenste gewaad) “oncostelick” (niet kostbaar) diende te zijn. Het ging kennelijk dus om het effect en het ontwerp van de kledij en niet om het meest kostbare materiaal.

Uit dit alles blijkt dat het verslag van Heyns een schat aan beeldmateriaal bevat van de vroeg-zeventiende-eeuwse rederijkerij in de Noordelijke Nederlanden. Het Const-thoonende iuweel vormt een zeldzame bron die (letterlijk) de ‘const’ van de rederijkers toont en daarmee meer inzicht biedt in dergelijke dichtcompetities. Dit zeldzame, complete exemplaar is bij Bijzondere Collecties zeker op zijn plek.

Het Haarlemse Landjuweel bereikte overigens haar charitatieve doel: de netto-opbrengst van de 308.037 verkochte loten bedroeg meer dan 50.000 gulden. Dit was ruim voldoende voor de bouw van het geplande oudemannenhuis. Tegenwoordig is hierin het Frans Halsmuseum gevestigd.

Literatuur
Bart Ramakers. ‘De “Const” getoond. De beeldtaal van de Haarlemse rederijkerswedstrijd van 1606.’ In Reindert Falkenburg, e.a. Hof-, staats- en stadsceremonies. Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 49 (1998): 128-183.

G.J. Jaspers. ‘Trou moet Blyeken te Haarlem en haar oude drukken in de Stadsbibliotheek.’ In De boekenwereld 8 (1991-1992): 154-169.

Wim Hummelen. De sinnekens in het rederijkersdrama. Groningen: Wolters, 1958.

Gerelateerde links:

Virtuele tentoonstelling: Fraternalis Amor door Amber Souleymane

De Rederijkerscollectie van de UB Groningen

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.