Wat is de toekomst van de gipscollectie van Bouwkunde?

Daartoe de vraag: “wat is het verleden ervan?”

In het kader van het programma “Maatwerk Facultaire Collecties” (2022-2025) helpt het erfgoedteam van TU Delft Library de verschillende faculteiten bij het professionaliseren van het beheer van collecties. De objecten worden geïnventariseerd, gewaardeerd en geformaliseerd. Het doel is om de collecties op te schonen, te ontsluiten en te borgen voor de toekomst. Belangrijke erfgoedobjecten zullen museaal bewaard worden, terwijl gebruik in onderwijs en onderzoek een belangrijk doel van de collecties was en blijft.

Bouwkunde is pilot

De faculteit Bouwkunde vervult een pilotfunctie in het programma. De collecties zijn voornamelijk voormalige onderwijscollecties, bijeengebracht sinds de tweede helft van de negentiende eeuw. De voorwerpen zijn gevarieerd, naast stoelen, maquettes en natuursteenmonsters zijn er ook producten van kunstnijverheid en antiquiteiten.

Sluytermancollectie

Om te weten wat we kunnen, moeten en mogen met de objecten, is het noodzakelijk om te bepalen wat de huidige waarde van de stukken voor de universiteit is. Daarvoor is het belangrijk de historische context van de voorwerpen te kennen. Ik noem een drietal voorbeelden: een schaalmodel van de Nikè van Samothrake, het hoofd van het Paard van Selene, en een reeks heiligen en apostelen. Deze gipsafgietsels werden gebruikt voor het onderwijs in vakken zoals Handtekenen en Boetseren. Op het oog zijn dit vergelijkbare objecten, bovendien zijn dergelijke voorwerpen in het verleden allemaal geregistreerd als onderdeel van de Sluytermancollectie, genoemd naar een professor in de Decoratieve Kunst en onderdeel van de centrale erfgoedcollectie van de TU Delft. Maar in feite zijn ze oorspronkelijk door een andere afdeling aangekocht, voor uiteenlopende doeleinden. De manier waarop de objecten momenteel worden beschreven, mist dit belangrijke onderscheid. In dit artikel wordt dieper ingegaan op de objecten en hun verschillende geschiedenissen, gerelateerd aan verschillende afdelingen en hoogleraren. Het blijkt dat ze door hun individuele verhalen kunnen dienen om de identiteit van de universiteit uit te dragen naar verschillende relevante doelgroepen.

In 1930 bestond de gipscollectie van de afdeling Handtekenen nog uit 775 afgietsels. (Westendorp & Hoogeschool, 1930, p. 47) Tegenwoordig rest nog slechts een fractie daarvan. Uit de publicaties die in de afgelopen decennia zijn verschenen komt een nogal ontmoedigend beeld naar voren van het verlies van honderden voorwerpen uit historische onderwijscollecties, die nu verdwenen zijn. (Annema, 1973) (Hilkhuijsen, 2001; Hilkhuijsen, 2008) Het is niet erg inspirerend beeld, ongeschikt voor een tentoonstelling die de identiteit van de universiteit moet uitdragen. Maar vanuit een ander perspectief, vertrekkend van de afzonderlijke objecten, blijken er veel meer mogelijkheden te zijn. Door merktekens van de fabrikanten op de items te combineren met de informatie uit de archieven en historische foto’s van klaslokalen te bestuderen konden de voorwerpen worden gekoppeld aan de personen die ze verwierven en de context waarin ze werden gebruikt.

De eerste casestudy betreft het enige gipsen beeld dat nog steeds in actieve dienst is: een paardenhoofd naar een paard van Selene uit het Parthenon wordt nog steeds gebruikt in het handtekenonderwijs. Op de sokkel staat een stempel met de naam van mouleur Antonio Vanni, Frankfurt. Student Rivera maakte deze tekening van het beeld tijdens een workshop op 16 mei 2022.

Paard van Selene

Het eerste afgietsel is het hoofd van het Paard van Selene. Het bleek dat het paard deel heeft uitgemaakt van de eerste gedocumenteerde aankoop van gipsmodellen. Het heeft namelijk een merkteken van Vanni, een producent die tot 1883 actief was (Boedapest, 2019). De historische context is interessant: de Koninklijke Academie werd gereorganiseerd tot de eerste polytechnische school van het land, in 1864. De minister van Binnenlandse Zaken droeg de leraren van Handtekenen en Modelleren op om geschikte voorbeelden aan te schaffen voor hun studenten. Beide leraren gaven tientallen jaren les aan de Polytechnische School Delft. Paul Tétar van Elven was van 1854 tot 1894 leraar Handtekenen en Antoine Eugène Lacomblé was leraar Boetseren van 1865 tot 1900. Zodoende hadden zij een langdurige invloed op de collectie gipsafgietsels (Roelofs Heyrmans, 1906).

Op 26 januari 1865 plaatsten Tétar van Elven en Lacomblé een bestelling voor gipsafgietsels bij het Louvre en bij de ateliers van Vanni en Desachy. Eén item uit deze eerste reeks gipsen, het paard van Selene, is nog altijd aanwezig en wordt af en toe gebruikt in het Handtekenonderwijs.

Een foto van de beeldengalerij van Handtekenen gemaakt rond 1905 toont sculpturen uit deze eerste orde van Tétar van Elven. De Venus van Arles is de eerste aan de rechterkant. (Roelofs Heyrmans, 1906, plaat XIIIb) Dit beeld is nog steeds zichtbaar op een foto uit 2005, gebroken liggend op de vloer van de antiekkelder, maar het is verloren gegaan bij de brand van 2008.

Nikè van Samothrake

Tétar van Elven kocht onder meer een kleine collectie Griekse en renaissancefiguren voor een beeldengalerij (Hilkhuijsen, 2008). In de ruimte daarnaast bevonden zich de afgietsels van bouwfragmenten en ornamenten. Het leek me waarschijnlijk dat het volgende voorbeeld, een gipsen schaalmodel van de Nikè van Samothrake, was overgebleven uit de beeldengalerij, maar dat bleek toch anders te zitten.

Het gipsen schaalmodel van de Nikè van Samothrake (inv.n. 2010.0028.BKD) staat op een foto van de afdeling Handtekenen gedateerd 1925-1930. Foto uit een album in de Bijzondere Collecties van de TU Delft Library, inv. nr. 2006019-TMD. Het afgietsel heeft een merk met de tekst: Commission Royale Belge des Echanges Internationaux; Sectie Artistique / Bruxelles / Atelier de Moulage.

Toen Tétar van Elven in 1894 na veertig jaar als tekenleraar met pensioen ging, volgde Abraham Frans Gips hem op. Gips was de eerste Handtekenleraar die geen schilder was, maar een praktiserend binnenhuisarchitect. Na zijn afstuderen in 1885 maakte Gips naam met decoratieve ontwerpen voor plafonds en wanden (Hilkhuijsen, 2001, p. 56). Om meer aan te sluiten bij de praktijk wilde Gips de lessen Handtekenen minder abstract maken dan ze onder Tétar van Elven waren geweest. Gips liet zijn studenten daarom gebruiksvoorwerpen natekenen, in plaats van uitsluitend prenten en gipsafgietsels (Leliman, 1906, p. 159). Toch gaf Gips het werken met gipsafgietsels niet helemaal op; sterker nog, hij verving objecten en vulde de collectie aan. Gips begon namelijk in februari 1897 colleges te geven over kunstgeschiedenis, een cursus die een groot aantal studenten trok (Leliman, 1906, p. 161). Ter ondersteuning van zijn colleges ontwikkelde Gips de gipscollectie tot een systematische collectie, waarin alle stijlen in een continuüm werden getoond, in lijn met de opvattingen bij andere Nederlandse instellingen en daarbuiten (Lending, 2015, 2017)(Meurs, 2000, 2002). Daartoe bestelde Gips afgietsels bij verschillende musea, waaronder het Museum voor Monumentale Kunst in Brussel. De Nikè is een van de tenminste twee afgietsels in de collectie met een merkteken met de tekst ‘Commission Royale Belge des Echanges Internationaux; Section Artistique / Bruxelles / Atelier de Moulage’, wat betekent dat zij deel uitmaakten van deze bestelling (Montens, 2016). Het beeld is ook te zien op een historische foto van het klaslokaal van Gips.

Serie afgietsels naar de beelden van heiligen en apostelen in de voormalige kapel van Sint Agatha in Delft, gegoten in 1911. Foto door de auteur, 25 september 2023.

26 heiligen en apostelen

Tot slot nog een serie afgietsels naar houten sculpturen in de voormalige kapel van St. Agatha in Delft. Na een bezoek aan de kapel besloot Gips daar afgietsels te laten maken van een aantal beelden. Van de oorspronkelijke reeks van 26 heiligen en apostelen uit de vijftiende eeuw was in 1911 nog een tiental beelden over. Van de negen beelden die nog min of meer compleet waren, werden afgietsels gemaakt.

Dit lijkt een ongebruikelijke stap te zijn geweest voor Gips. Er is geen bewijs dat hij andere originele afgietsels heeft besteld. De negen afgietsels, en twee duplicaten, bevinden zich nog steeds in de erfgoedcollectie. Gips publiceerde een artikel waarin hij het project toelichtte. Zijn motivatie lijkt te zijn geweest om de beelden te behouden, hoewel hij liever verder was gegaan dan ze te laten gieten: “Het is in hooge mate te betreuren, dat een dergelijke beeldenschat, in een matrassenmagazijn, op een zolder boven een kosterswoning en in de orgelkamer der Fransche kerk, voor zoo weinigen toegankelijk is. Daar de mogelijkheid van restauratie der fraaie kapel haast uitgesloten schijnt, zou in dit bijzonder geval voorzichtige verwijdering der beelden met de muurstijlen, waaraan zij bevestigd zijn en overbrenging naar een openbare verzameling van kunst een oplossing zijn, die mij wenschelijker voorkomt, dan ze ter plaatse aan langzame verworming bloot te stellen.(Gips, 1911, p. 195). Gips was  hier te pessimistisch, al duurde het wel even: bijna veertig jaar later, in 1949, werd de hele kapel gerestaureerd en toegevoegd aan het gemeentemuseum (Hilkhuijsen, 2001, p. 28). De originele beelden zijn nog altijd te zien, hoog aan de muur in het huidige Museum Prinsenhof Delft.

Bottom-up in plaats van top-down

Het blijkt de moeite waard om het onderzoek in de toekomst op een andere manier aan te pakken. Als het ware bottom-up beginnen, vanuit de individuele objecten, en niet top-down, vanuit de geschiedenis van de collecties als geheel. De drie voorbeelden demonstreren de verscheidenheid aan verhalen die verbonden zijn aan ogenschijnlijk vergelijkbare objecten, omdat ze afkomstig zijn uit verschillende tijdperken en veranderingen in het onderwijs markeren.

De apostelen en heiligen van de St. Agathakapel sluiten daarnaast aan bij de geschiedenis van de stad Delft, met een specifieke link naar het Museum Prinsenhof Delft, dat de originelen bezit. Deze gipsen zouden daardoor geschikt zijn om een brug te slaan naar de inwoners van Delft. En aangezien de afdeling Handtekenen oorspronkelijk studenten van alle faculteiten bediende en niet alleen die van Bouwkunde, is het erfgoed relevant voor de universiteit als geheel. Zo sluit het Paard van Selene aan bij de geschiedenis van het ingenieursonderwijs in Nederland en legt het ook een link naar het huidige onderwijs bij Bouwkunde. De Nikè van Samothrake en de serie van St. Agatha markeren een moment in de ontwikkeling van het onderwijs in deze afdeling, toen het enigszins opschoof van ‘kunst’ naar de ‘wetenschap’ van de kunstgeschiedenis. Kortom: de ‘artistieke’ afgietsels in onze collectie kunnen niet allemaal over één kam geschoren worden. De achtergrondverhalen verschillen aanzienlijk van item tot item, ook al lijken ze op het eerste gezicht op elkaar. En het zijn precies deze verschillende verhaallijnen die het mogelijk maken om ze in de toekomst te activeren, om verschillende doelgroepen aan te spreken. Op deze manier kan de erfgoedcollectie van de TU Delft een rol spelen in het communiceren van het imago en de identiteit van de universiteit door middel van onderzoek, tentoonstellingen en publicaties. Dit zal bijdragen aan de toekomstige relevantie van objecten in de erfgoedcollectie.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *