Verborgen drukwerk in het archief van de Universiteit Leiden

In 2025 viert de Universiteit Leiden haar 450-jarig bestaan. De geschiedenis van deze oudste universiteit van Nederland wordt zorgvuldig bewaard in het universiteitsarchief. Dit archief vormt een rijke bron van informatie over de oprichting door Willem van Oranje, over prominente studenten zoals Hugo de Groot en Rembrandt van Rijn, over ontwikkelingen in het hoger onderwijs, en over thema’s als religieuze vrijheid en de positie van vrouwen in de wetenschap.

Een ander onderzoeksgebied binnen dit archief betreft de rol van de drukpers in de vroege institutionele ontwikkeling van de universiteit. Het universiteitsarchief bevat niet alleen een omvangrijke collectie gedrukt materiaal, waaronder wetten, statuten, collegeroosters, disputaties en theses, maar ook documentatie over de totstandkoming ervan: regelgeving, oplages, financiering en de selectie van drukkers. Juist de combinatie van beleidsdocumenten en het bewaarde drukwerk maakt het archief tot een waardevolle bron voor onderzoek naar academische drukcultuur in de vroegmoderne periode.

Een groot deel van het universiteitsarchief wordt gevormd door de archieven van de Curatoren en de Senaat, de twee oudste en belangrijkste bestuursorganen uit de geschiedenis van de Universiteit Leiden. De Curatoren waren belast met het algemene bestuur, waaronder het aanstellen van hoogleraren, terwijl de Senaat, bestaande uit hoogleraren, verantwoordelijk was voor het onderwijs. Andere relevante instituties binnen de universitaire structuur waren de academische rechtbank en de universiteitsbibliotheek.

De meeste documentatie over drukwerk bevindt zich in het (deel)archief van de Curatoren. Zij beheerden de universitaire financiën, waardoor alle uitgaven voor drukwerk via hen verliepen. Daarnaast waren zij bevoegd tot het aanstellen van academiedrukkers en het toewijzen van drukopdrachten. Een kernbron binnen dit archief zijn de resoluties van de Curatoren, waarin besluiten systematisch werden vastgelegd. Voor de periode tot 1812 zijn dit circa twintig foliodelen van elk ruim 600 folia. Een deel hiervan werd tussen 1913 en 1924 uitgegeven door de handschriftenconservator en bibliothecaris Phillip Christiaan Molhuysen. Recentelijk zijn de oudste delen van het universiteitsarchief digitaal beschikbaar gesteld, wat het onderzoek naar drukkers en drukwerk aanzienlijk vergemakkelijkt.

Een typisch genre van academisch drukwerk zijn uiteraard theses: een door studenten te verdedigden stelling of reeks stellingen ter afronding van de studie. De omvang hiervan varieerde van een enkel pamflet tot een meer uitgebreide verhandeling. De eerste expliciete vermelding van het drukken van theses dateert van 9 februari 1596, toen de Curatoren beslisten dat theses bestemd voor een openbaar dispuut op kosten van de universiteit gedrukt zouden worden, in een oplage van maximaal 100 exemplaren van één vel in quarto-formaat. De druk moest worden verzorgd door Jan Paets Jacobszoon (ca. 1578–1622), hoewel deze op dat moment nog niet de officiële academiedrukker was, die positie werd toen bekleed door Franciscus Raphelengius (1539–1597).

Afb. 1: Resolutie van 9 februari 1596 over het drukken van theses door Paets, in een negentiende-eeuws afschrift.

De resoluties van de Curatoren tonen aan dat discussies over het drukken van theses regelmatig terugkeerden. Dit staat in contrast met de beperkte fysieke aanwezigheid van theses in het archief. Slechts enkele zijn bewaard gebleven. Op 8 februari 1595 gaven de Curatoren de Senaatssecretaris Bonaventura Vulcanius (1538–1614) de opdracht om alle door studenten verdedigde theses uit de periode 1575–1595 te verzamelen en te bundelen. Deze bundel bevindt zich thans in het archief van de Senaat onder inventarisnummer 347. De oudst gedateerde these in de bundel betreft een handschrift van Ioachim Simonis uit 1580 (rechtenfaculteit). De eerste gedrukte theses zijn van Jacobus Iessius, gedateerd 26 mei 1583, gedrukt door Andries Verschout, academiedrukker tussen 1582 en 1584.

Afb. 2: Theses uit 1584 gedrukt door Christoffel Plantijn in Leiden.

Vulcanius kreeg tevens de opdracht om ook de theses van ná 1595 te verzamelen, maar van een dergelijke bundel ontbreekt ieder spoor. Mogelijk is deze nooit tot stand gekomen, of zijn de theses verspreid geraakt in de collectie van de universiteitsbibliotheek. Zijn opvolger Daniël Heinsius
(1580–1655) toonde weinig interesse in zijn taken als secretaris; de notulen van zijn ambtsperiode zijn fragmentarisch en beknopt, en ook de theses die onder zijn beheer hadden moeten vallen, zijn grotendeels afwezig.

Het Leidse universiteitsarchief bevat aldus een rijkdom aan bronnen voor de studie van drukwerk in de vroegste geschiedenis van de universiteit. Met name de resoluties van de Curatoren, in combinatie met het fysiek bewaarde drukwerk, bieden inzicht in de academische productie- en publicatiecultuur. De casus van de theses illustreert zowel de potentie als de beperkingen van deze archieven. Bovendien valt er nog veel te ontdekken. Een eerste verkenning van de recent gedigitaliseerde archiefdelen heeft reeds enkele niet-geïnventariseerde publicaties aan het licht gebracht, zoals stukken betreffende het Collegium Theologicum gedrukt door Jan van Hout (1542–1609), en achttiende- en vroeg negentiende-eeuwse redes en lofredes, gedrukt door academiedrukkers zoals Pieter van der Aa (1659–1733), Samuel Luchtmans (1685–1757) en Johannes Luchtmans (1726–1809).

Het ontsluiten en systematisch onderzoeken van deze drukgeschiedenis vereist nog veel werk, maar de digitale toegankelijkheid van het Leidse universiteitsarchief biedt nieuwe perspectieven. De hoop is gerechtvaardigd dat in de komende jaren steeds meer verborgen drukwerk boven water zal komen.

Mart van Duijn (conservator westerse handschriften en archieven, Universitaire Bibliotheken Leiden)
Kasper van Ommen (conservator westerse gedrukte werken, Universitaire Bibliotheken Leiden)

 

Deel dit

Plaats een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *