Huisvestigingsuitdagingen

Afbeelding 1: Bord, afkomstig uit Levendaal 150, AHM-1993-40
‘Ja, dat adresbord. Fantastisch, heerlijk fel lelijk groen’, schreef Jos Damen (oud-bibliothecaris van het African Studies Centre Leiden) mij afgelopen maand. Damen had het bord in 1983 uit de vuilniscontainer gered en het tien jaar later geschonken aan het Academisch Historisch Museum in Leiden. Toen ik het daar voor het eerst tegenkwam had ik eenzelfde soort gevoel: het is fascinerend, prachtig en lelijk tegelijk. Bovendien, en dat is voor deze blog misschien nog wel belangrijker, is het een mooie illustratie van hoe in Leiden een veranderde universiteit een nieuw plekje voor zichzelf zocht in een eveneens veranderende stad. Het bord is afkomstig uit het pand Levendaal 150, maar wat deden de Campingmarkt en de Rijksuniversiteit Leiden samen op één bord?
Laten we teruggaan naar het einde van de jaren vijftig. De studentenaantallen zaten sterk in de lift, het Rijk was scheutig met financiering en in het algemeen kampte de Nederlandse universiteiten met verouderde en krappe behuizing. Bij diverse universiteitsbesturen sloeg de bouwkoorts dan ook toe. In Leiden moest er onder andere iets gebeuren rond de huisvestiging van de Letterenfaculteiten. De diverse vakgroepen waren ondergebracht in verschillende verouderde, lekkende panden, verspreid over de binnenstad. In 1960 kwam er ruimte vrij aan de Witte Singel in Leiden voor mogelijke nieuwbouw. Er werd een 120 meter hoge toren bedacht, waar de faculteiten Letteren, Wijsbegeerte en Theologie gehuisvest zouden kunnen worden, naast een tweede, lagere toren voor de universiteitsbibliotheek. Waar het Leidse universiteitsbestuur en de gemeenteraad in eerste instantie enthousiast reageerden op dit ontwerp, klonk ook al snel fel protest: de toren zou slecht bij de uitstraling van de historische binnenstad passen, er waren zorgen over verkeersoverlast en bovendien zag een deel van de wetenschappelijke staf van de faculteiten het helemaal niet zitten om in één grote toren gestopt te worden. De bezuinigingen op het wetenschappelijk onderwijs die in de zomer van 1971 werden afgekondigd, betekenden de genadeklap voor deze ‘Alfatoren’. Het plan verdween van tafel.
De afdeling bouwzaken van het Leidse bestuursbureau zal met lede ogen naar het uitstel en dreigende afstel gekeken hebben. In het universitaire jaarverslag 1970-1971 stelt men enigszins gelaten vast dat de verschillende protesten over het Witte Singelplan ‘er mede toe bijgedragen [hebben] dat de nodige besluiten om tot realisering van het project over te gaan, nog achterwege zijn gebleven.’ Het betekende in ieder geval dat er naar andere oplossingen gekeken moest worden voor de achterliggende problemen, krappe en verouderde huisvesting, die immers nog niet verdwenen waren. In hetzelfde jaarverslag werd dan ook teruggeblikt op een aantal verhuizingen: de sectie Engels had onderdak gevonden op het Rapenburg, het Talenlaboratorium was naar de Breestraat verplaatst en de sectie Nederlands, de afdeling dramaturgie en het Leids Academisch Kunstcentrum vonden een plek in het eerdergenoemde pand Levendaal 150.
Dat er ruimte op het Levendaal gevonden werd, kwam mede doordat niet alleen de universiteit, maar ook de stad in deze periode een grote ontwikkeling doormaakte. Leiden was begin jaren vijftig nog een echte industriestad en ook het straatbeeld van het Levendaal werd sinds 1913 gedomineerd door een grote fabriekshal: de breigarenfabriek van Gebr. Van Wijk en Co. Eind jaren vijftig liep de Leidse textielindustrie echter op zijn laatste benen en in 1963 sloot de fabriek aan het Levendaal. Industrie maakte hier plaats voor de consument. In 1969 opende in het voormalige fabriekspand de Consumarkt: een warenhuis van 7500 m2 waarin diverse zelfstandige bedrijven hun waren aanboden, van levensmiddelen tot kleding, meubels en apparatuur.

Afbeelding 2: Exterieur Levendaal 150-151 in 1978, AHM-1988-373
Boven het warenhuis zou de universiteit twee verdiepingen huren. Na een grondige verbouwing werden de afdeling dramaturgie en het Leids Academisch Kunstcentrum (inclusief een eigen theater) op de derde verdieping gevestigd en de sectie Nederlands op de tweede. De universiteit stond letterlijk midden in de maatschappij. Damen herinnerde zich de situatie als volgt:
Ik vergeet nooit meer hoe ik op een kennismakingsdag in Leiden aankwam en naar de Vakgroep Nederlands wandelde. Ik verwachtte het walhalla van de wetenschap te betreden en eindelijk op intellectueel volwassen niveau over literatuur te kunnen praten met door mij bewonderde hoogleraren als Hans Gomperts. In plaats daarvan moest ik de supermarkt aan het Levendaal binnenlopen om tegenover de kaasboer de lift naar de tweede etage te nemen waar de Nederlandse taal- en letterkunde indringend bestudeerd werd.

Afbeelding 3: Adresbordjes aan de gevel van Levendaal 150 in 1971, AHM-1971-479
De afdeling bouwzaken had ruimte gevonden, maar ideaal was de situatie natuurlijk niet. Hoewel de twee verdiepingen waren verbouwd, was ook dit gebouw verouderd. M.A. Baanders schreef over huisvesting van het Leids Academisch Kunstcentrum dat ‘de ruimte al snel een sfeer [had] die op zijn zachtst gezegd als ‘doorleefd’ getypeerd kan worden.’ Het gebouw had last van vocht, de kozijnen roestten door en toen men het pand uiteindelijk verliet bleek boven de plafonds zich grote hoeveelheden vogelpoep te hebben opgestapeld, omdat al die jaren de stadsduiven er vrij hadden kunnen rondvliegen. Uiteindelijk zou men twaalf jaar van de ruimte gebruik maken, totdat het Witte-Singel-Doelencomplex (naar nieuw ontwerp) in gebruik genomen kon worden in 1983.
Voor mij is dit bord niet alleen een illustratie van de huivestigingsuitdagingen waar men in de jaren zeventig tegenaan liep, maar ook voor de uitdagingen die we nu hebben om dit bord zelf te ‘huisvesten’. Het Academisch Historisch Museum is sinds 2017 onderdeel van de Universitaire Bibliotheken Leiden (UBL). Afgezien van een aantal objecten die in open opstelling als ‘museale wandelgang’ in het Academiegebouw staan opgesteld, wordt de collectie in 2025-2026 overgebracht van het Academiegebouw naar de depots van de UBL. De collectie wordt bovendien ontsloten via de systemen van de bibliotheek en waar mogelijk via onze dienstverlening beschikbaar gesteld voor onderzoek en onderwijs. Als projectleider mag ik mede dit project in goede banen leiden.
Waar een groot deel van de collectie van het Academisch Historisch Museum goed aansluit bij de eigen collecties en expertise van de UBL, zoals de gedrukte werken, foto’s, archieven en dergelijke, vormen de meer museale objecten een grotere uitdaging. Met het oog op de verhuizing is er een nieuw schilderijen- en objectendepot gerealiseerd om zowel de schilderijen en de objecten uit de collectie van het AHM, als uit onze eigen collectie op een verantwoorde manier samen te bergen. Wat betreft de dienstverlening zullen we in de praktijk toe moeten werken naar een pragmatische werkwijze. Dit bord is te groot, te zwaar en te fragiel om op onze leeszaal Bijzondere Collecties uit te geven, maar wanneer er vraag komt naar dit object willen we natuurlijk ook niet direct een nee verkopen. Het komende jaar zal dit een van de vervolgpunten zijn die binnen het project verder worden opgepakt. De uiteindelijke oplossing zal, net als de tweede en derde verdieping van Levendaal 150, niet ideaal zijn, maar binnen de mogelijkheden hopelijk zo werkbaar mogelijk.

Afbeelding 4: Bouw theater van het Leids Academisch Kunstcentrum op de derde verdieping van Levendaal 150, ca. 1970, AHM-1971-197
Met dank aan Jos Damen.
Bronnen:
- M.A. Baanders, ‘Het LAK (Leids academisch kunstcentrum)’, in: H.J. de Jonge en W. Otterspeer (red.), Altijd een vonk of twee. De Universiteit Leiden van 1975 tot 2000 (Leiden 2000)
- Frits Boersma, ‘Economische en sociale verhoudingen: breuk met het verleden’, in: J.C.H. Blom (red.), Leiden. De geschiedenis van een Hollandse stad. Deel 4: Leiden vanaf 1896 (Leiden 2004)
- Pieter Slaman, De glazen toren. De Leidse universiteit 1970-2020 (Amsterdam 2021)
- Verslag 1970-1971 Rijksuniversiteit Leiden (Leiden 1971)
- Diverse (reclame)teksten m.b.t. de Consumarkt uit 1969 en latere jaren in het Leidsch Dagblad, de Leidse Courant en de Nieuwe Leidsche Courant.