Kaarten van Betekenis

Itinerarium van de cartograaf: Ubbo Emmius

Stel je voor: persoon A ontdekt dat de gevestigde orde haar informatie voornamelijk op fabels baseert en onthult zodoende dat het verleden glansrijker wordt verbeeld dan de realiteit toestaat. Persoon B (van deze zogenoemde gevestigde orde) reageert op deze aantijgingen door persoon A in diskrediet te brengen door te zeggen dat persoon A de eerbiedwaardige bronnen die het bewijs leveren voor het glansrijke verleden zoals persoon B die ziet, niet erkent. Persoon C wil persoon A zelfs wegens laster voor de rechter slepen. Persoon A verdedigt zijn standvastigheid echter en schrijft een herziene versie van het verleden die gebaseerd is op meer betrouwbare bronnen.

Misschien klinkt dit scenario wel bekend in de oren. Op een bepaalde manier lijkt het bijvoorbeeld op de manier waarop de regering Trump handelt ten aanzien van mediakritiek: alles wat doet overkomen alsof het Republikeinse establishment minder representatief, populair, objectief en succesvol bezig is, wordt afgedaan als ‘fake news’ en als een lasterlijke vorm van verslaglegging op basis van ‘onbetrouwbare bronnen’. Het scenario doet denken aan de strijd tussen hen die hoaxes creëren en objectieve benaderingen van journalistiek bestempelen als propaganda en hen die de feiten proberen te onderscheiden van fictie en zo willen bijdragen aan een waarheidsgetrouwere weergave van de realiteit—zowel in het nieuws als in de publieke perceptie. Bedrijven zoals Facebook en Google worstelen met het wegfilteren van nepnieuws. Dit probleem lijkt een erg hedendaags probleem te zijn dat is voortgekomen uit de internetrevolutie. In deze tentoonstelling laten we zien dat het maken en verspreiden van verkeerde informatie ook al bestond in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, en beschouwen we de rol van academia hierin.

afbeelding 1: Portret van Ubbo Emmius. Hij was de eerste rector magnificus van de Universiteit van Groningen ofwel de Academie, zoals ze na de stichting in 1614 werd genoemd. Emmius was een gevierde wetenschapper die bekend stond om zijn gedreven zoektocht naar de historische waarheid. De wereldbol en het boek in zijn hand symboliseren zijn academische loopbaan.

Je hebt misschien wel gehoord van Ubbo Emmius of misschien ben je naar een school gegaan die zijn naam draagt. Of wellicht herken je de naam van de Ubbo Emmiussingel of de Ubbo Emmiusstraat in Groningen. Studenten en medewerkers van de universiteit zullen de naam ongetwijfeld herkennen van het monument dat voor het Academiegebouw staat (de zes betonnen elementen met Emmius’ naam in gouden letters die de berkenboom omringen) of misschien hebben ze zijn portret zien hangen in de Senaatskamer (afbeelding 1).

Sommigen weten zelfs nog dat Ubbo Emmius de eerste rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen was, toen nog de Academie geheten, opgericht in 1614. Of je hem nu kent of niet, Emmius is ook persoon A in het geschetste scenario hierboven.

Het begint allemaal in Greetsiel, waar Emmius werd geboren op 5 december 1547. Omdat hij in zijn vaders voetsporen zou treden en pastoor diende te worden, stuurde zijn vader hem naar een school in Emden toen Emmius negen jaar oud was. In 1565 ging Emmius in Bremen naar een beroemde school onder leiding van Johannes Molanus. Dit was maar voor een korte periode, want zijn ouders stuurden hem naar de pas opgerichte Latijnse school in Norden. Hij voltooide zijn opleiding toen hij 22 was. Zijn vader achtte hem klaar om naar de universiteit te gaan. Zodoende startte Emmius in 1570 zijn universiteitsopleiding aan de Lutherse universiteit in Rostock. Hij volgde vakken in verschillende disciplines: geschiedenis, theologie en natuurwetenschappen. In zijn derde jaar wilde Emmius aan een andere universiteit studeren, maar zijn vader overleed en daarom bleef hij bij zijn moeder in Greetsiel. In diezelfde periode is ook zijn zuster Teelke verdronken, terwijl ze over zee van Norden naar Greetsiel reisde. Hierdoor verbleef Emmius nog drie jaar langer in Greetsiel. Uiteindelijk reisde hij in de zomer van 1576 naar Genève. Hij deed dit wandelend, wat we weten omdat hij een klein dagboek bijhield over zijn reis. [2]

Emmius rondde zijn opleiding af in 1578 en begon aan zijn eerste baan in 1579. Hij werd rector van de Latijnse school in Norden, dezelfde school waar hij studeerde van 1565 tot 1570. Hij bleef daar niet langer dan negen jaar, omdat hij na al die jaren alsnog gedwongen werd ontslag te nemen. Een calvinistische rector op een Lutherse school, zo bleek, gaf toch de nodige ideologische wrijving. In 1588 werd hem de positie van rector op de Latijnse school in Leer aangeboden. Hier heeft hij vijf jaar gewerkt. In beide posities bleef hij ook als wetenschapper werken. In 1592 voltooide hij de eerste tien boeken van zijn levenswerk, Rerum Frisicarum Historia (Geschiedenis van Friesland, zie afbeelding 2).

afbeelding 2: De serie boeken getiteld Rerum Frisicarum Historia was Emmius’ levenswerk. Deze bladzijden komen uit een van deze boeken. De complete serie telt 60 boeken gepubliceerd tussen 1592 en 1616. Toen Emmius aan zijn Rerum Frisicarum Historia begon, had hij als wetenschapper nog geen naam gemaakt. In de eerste afleveringen of ‘decades’ van zijn werk confronteert hij de academische gevestigde orde met haar historische laksheid en flexibiliteit.

 

Emmius leerde ballingen uit Groningen en Ommelanden kennen, gebieden die tijdelijk waren veroverd door het Spaanse leger tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Zijn academische netwerk maakte het mogelijk voor Emmius om naar Groningen te verhuizen in 1594, toen Groningen weer geregeerd werd door de stadhouders. Het gemeentebestuur bood hem de positie van rector aan op de Latijnse school die ooit werd geleid door de beroemde Regnerus Praedinius (1510–1555). [2]

Emmius verbleef de rest van zijn leven in Groningen. Toen de Academie werd opgericht in 1614, was Emmius de meest gerenommeerde wetenschapper van Friesland. Als oudste en meest geëerde van zijn vijf collega’s werd hij de eerste rector magnificus van de Groningse universiteit. In de tussentijd bleef hij werken aan zijn Rerum Frisicarum Historia , die hij uiteindelijk voltooide in 1616. Emmius stopte niet met schrijven. Al in 1606 besloot hij dat hij een boek wilde schrijven over chronologie. Gepubliceerd werd het in 1619. Kort daarna startte hij met een biografie van stadhouder Willem Lodewijk, die in 1620 stierf. Dit boek werd in 1621 gepubliceerd. Zijn laatste werk was een geografie en geschiedenis van de oude Grieken. Emmius heeft het nooit gepubliceerd gezien omdat zijn uitgever, Elsevier, zich niet haastte met uitgeven. Hij stierf op 9 december 1625. [2]

Gedurende zijn tijd in Groningen vestigde Emmius zich als een historicus met een sterk besef van historische waarheid. Hiermee onderscheidde hij zichzelf van de gevestigde academische orde op dat moment. Beroemde eigentijdse historici zoals Suffridus Petrus (1527-1597), Bernardus Fumerius (1542-1616) en Andreas Cornelius (15??-1589) schreven allemaal geschiedenissen en kronieken die zich deels baseerden op fabels en legenden uit de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw. In 1588 beweerde Andreas Cornelius dat hij een nieuwe historische bron had gevonden die mondeling was overgeleverd van ouderen op jongeren, van generatie op generatie. Hoewel het technisch gezien niets anders was dan ‘van horen zeggen’, nam Suffridus Petrus deze ‘nieuwe’ feiten dankbaar aan en gebruikte hij Cornelius’ bron om de gaten in zijn Friese geschiedenis te vullen. [2]

Toen de tweede en derde serie van tien boeken van Rerum Frisicarum Historia werden gepubliceerd, baseerde Emmius zich daarentegen uitsluitend op primaire bronnen en was hij erg kritisch over het gebruik van bronnen gegrond in het grijze gebied tussen feit en fictie. In zijn werken hekelt Emmius de mythen en sagen uit dit grijze gebied, enkel om te benadrukken dat de mensen die geloofden dat dergelijke ‘bronnen’ de historische waarheid weerspiegelen niet goed bij hun hoofd waren. Uiteraard werd deze kritiek niet goed ontvangen door Petrus en Furmerius en zij wilden de kritiek van deze buitenstaander niet onweerlegd laten. Zodoende beschuldigden ze Emmius van minachting voor de historische bronnen tot dan toe gebruikt voor kaarten en werken over onze geschiedenis. Volgens hen was Emmius onverantwoord bezig door het bagatelliseren van de glorieuze Friese geschiedenis en moest hij daarom wel een Friezenhater zijn. Afbeelding 3: toont omslag en titelpagina van Suffridus’ historische werk waarmee hij Emmius van repliek dient. [2]

afbeelding 3: Suffridus Petrus was een van de wetenschappers wier methodologie Emmius bekritiseerde. Petrus vatte dit op als een belediging en sloeg terug in zijn eigen boek dat verscheen in 1603 bij Gillis van den Rade in Franeker. Hoewel Emmius zich een betrouwbare wetenschapper toonde, slaagde Petrus erin om het voor te doen alsof hij een hogere en wenselijkere standaard van historische benadering hanteerde voor het maken van kaarten. Als gevolg hiervan is de mythe van de vloed van Reiderland pas in 2013 aan de kaak gesteld, toen historische kaarten van de regio eindelijk werden bestudeerd met de kritische blik die Emmius al bepleitte.

 

Emmius begon een nieuw offensief tegen zijn mede-historici in 1603 en herhaalde zijn standpunt over bronnenkritiek en de historische waarheid. Het was een strijd die in heel Europa gevoerd werd, hoewel hij was begonnen in Italië met Machiavelli en Guicciardini. Emmius was al eerder met deze strijd in aanraking gekomen doordat hij in 1599 de Oldenburgse hofhistoricus Hamelmann had bekritiseerd. Volgens Emmius behandelde Hamelmann de historische waarheid met onverschilligheid. Dit viel niet in goede aarde bij de Graaf van Oldenburg, die vervolgens Emmius voor de rechtbank daagde wegens laster. Stadhouder Willem Lodewijk steunde Emmius in dit conflict en beweerde dat Emmius alleen maar de plichtsgetrouwe principes van een historicus wilde naleven. [2]

Emmius’ doel om het verleden zo waarheidsgetrouw mogelijk af te beelden is ook zichtbaar in de kaarten die hij maakte. Tijdens zijn verblijf in Norden en Leer reisde hij door heel Oost-Friesland om de geografische locaties van alle steden en dorpen te bepalen. Zijn brede opleiding hielp hem bij het maken van een nauwkeurige kaart. Zijn geschiedenis van Friesland en de bijbehorende kaart (zie afbeelding 4.) zouden erg populair worden.

afbeelding 4: Kaart van Ubbo Emmius uit 1616 genaamd Typus Frisiæ orientalis absolutissimus die delen van Ostfriesland afbeeldt. Emmius bezocht iedere plaats op de geografische positie zo precies en juist mogelijk vast te stellen. In deze jaren (1579–1592) woonde hij in Norden en Leer. De kaart is afkomstig uit Rerum Frisicarum Historia uitgegeven door Lodewijk Elzevier in Leiden in 1616. Beide zijn in dezelfde tijd door Emmius gemaakt.

 

De kaart staat bijvoorbeeld genoteerd op een inventarislijst van kaarten en handschriften uit 1870 in het staatsarchief van Mons, Frankrijk. Zoals in deze tentoonstelling te zien is, werden sommige van Emmius’ kaarten opnieuw afgedrukt en gepubliceerd na zijn dood—respectievelijk in 1633, 1664 en 1730 (zie afbeeldingen 5, 6 en 7).

afbeelding 5: In 1633 werd deze kaart van Emmius gedrukt in een Franse atlas: Atlas ou representation du monde universel et des parties d’icelui, faicte en tables et descriptions tres amples (Amsterdam: Johannes Janssonius, 1633). Emmius stierf al in 1625, waardoor deze kaart postuum is gedrukt. Dit gebeurde vaker. Er bestaan ook herdrukken uit 1638 en 1646, die nu online beschikbaar zijn. Het is opmerkelijk dat ook deze kaarten het vloedgebied van 1277 niet schuwen (rechtsonder). Waarschijnlijk hebben Salomon Rogiers en Evert Symonszoon Hamersveldt (die verantwoordelijk waren voor de nieuw toegevoegde uiterlijkheden op deze kaart) hier op eigen gezag gehandeld.

 

afbeelding 6: Deze kaart, ook van Emmius, is gedrukt in 1664 door Willem Janszoons Blaue in Amsterdam—in J. Blaeus Grooten atlas, oft werelt-beschryving, in welcke ‘t aertryck, de zee en hemel wordt vertoont en beschreven. Opnieuw wordt de vloed van 1277 vermeld. Voor zowel boeken als kaarten bepleitte Emmius een weergave van de werkelijkheid die historisch realistischer was. Omdat zijn kaart uit 1616 de vloed van 1277 niet vermeldt, weten we niet zeker of hij op deze kaart de mythe van de vloed opzettelijk continueerde of dat de vermelding ervan andere oorzaken had buiten Emmius om.

 

afbeelding 7: Losse kaart van Ostfriesland gemaakt door Emmius. Onder de titel Tabula Frisiæ Orientalis postuum gepubliceerd in 1730 in Neurenberg door Johannes Christopher Homann. Nog steeds wordt de mythische vloed vermeld en hier zelfs artistieker geïllustreerd dan op vroegere kaarten.

 

Toch zien we iets opmerkelijks wanneer we deze kaarten vergelijken met de kaart uit 1616. Zoals we nu weten, hechtte Emmius veel waarde aan bronnenkritiek en historische waarheid. Maar in zijn latere kaarten zien we referenties naar anachronismen gebaseerd op een legende: de zogenoemde zondvloed van het Reiderland in 1277 (zie steeds de hoek rechtsonder op zijn kaarten uit 1633/38, 1664 en 1730).

Het Atlantis van de Klei

In de tweede helft van de zestiende eeuw waren er grote stappen gezet in het veld van de cartografie die de nauwkeurigheid van de vorm, de grootte en de geschiedenis van het land dat de kaarten moesten weergeven, sterk verbeterden. [1] Eén voorbeeld van zo’n prominente innovatie binnen de cartografie was de toepassing van de wetten van de trigonometrie. Jacob van Deventer was een van de eersten die deze techniek gebruikte binnen de wetenschap van het kaart-maken, voor zijn kaart van Friesland uit 1559. Ondanks deze ontwikkelingen in de cartografie bleef de grens tussen mythe en realiteit toch vaag. Dat was dan ook de kritiek van Ubbo Emmius op gevestigde cartografen. [2] Hij beschouwde hun methodologie binnen het kaart-maken als een verdunning of afslanking van de waarheidsgetrouwheid van topografische en geografische werken, en hij hekelde hun neiging om lokale volkse verhalen meer geloofwaardigheid toe te kennen dan te verantwoorden was.

Dit gebrek aan waarheidsliefde in het scheiden van feiten van fictie is wat leidde tot de kaarten die niet-bestaande rivieren of eilanden toonden of, inderdaad, ideeën creëerden en overnamen zoals de ‘Reiderlander’ mythe—het Atlantis van de Klei. Emmius’ originele kaart uit 1616 van de noordelijke territoria laat terecht weg wat andere kaarten niet weglaten. De eerste kaart die het verhaal van de verdronken dorpen van het Reiderlandte berde bracht, is gemaakt door Van der Meersch in 1574 (zie afbeelding 8).

afbeelding 8: Emmius was niet de eerste die Ostfriesland in kaart bracht. In 1574 ging Jacob Vermeersch hem voor met een kaart van Ostfriesland die wijd en zijd werd gebruikt. In opdracht van het stadsbestuur van Emden moest Vermeersch een kaart van Ostfriesland maken inclusief het Reiderland (nu de Dollard)—een gebied waarvan hij de geschiedenis verhulde door het met mysterie te omgeven. Hij suggereerde dat het aan de zee verloren was gegaan 1277, terwijl dat in werkelijkheid pas in in 1509 gebeurde.

 

Hij gaf op zijn kaart het gebied van Friesland tot Ostfriesland weer en hij claimde dat de rivierinham die toen en nu bekend was als de Dollard, in werkelijkheid het voormalige Reiderland was—en hij voerde daarbij aan dat op het moment van schrijven dat gebied al zo’n duizend jaar onder water zou hebben gestaan. Hoewel hij het bij het rechte eind had wat betreft de teloorgang van het Reiderland, zat hij er qua datering van deze gebeurtenis zo’n 500 jaar naast. Ondanks deze misstap volgde cartograaf na cartograaf dezelfde redenering na, met als gevolg het bestendigen van de mythe van de 33 verzonken dorpjes van het Reiderland—ondanks het feit dat het Reiderland pas in 1509 verloren was gegaan aan de onstuimige wateren van de Ems. [3]

Binnen een luttele 50 jaar tijd was de ware datering van deze watersnoodramp en de creatie van de Dollard al op mysterieuze wijze verworden tot informatie buiten bereik van cartografen als Wicheringe (ter vergelijking met Emmus’ kaarten, zie bijvoorbeeld Wicheringe’s kaart uit 1616, getoond op afbeelding 9), Van Deventer en zoals gezegd zelfs de postuum gepubliceerde kaarten van Emmius.

afbeelding 9: Emmius’ kaart uit 1616 lijkt de enige eigentijdse kaart die niet zinspeelt op een overstroming van het Reiderland in 1277. Merkwaardig genoeg deed Emmius niettemin deze kaart van Bartoldus Wicheringe in de aanbeveling. Net als Vermeersch bezweek ook Wicheringe voor het idee dat het Reiderland vóór 1509 was verdwenen. Wicheringes kaart werd gedrukt in Amsterdam door Willem Janszoons Blaeu, die er een vijfjarig patent op nam als voorschot op mogelijke herdrukken.

 

Alle drie presenteerden het voormalige gebied van het Reiderland als een Atlantis van de Klei: lang verloren aan de zeeën (‘incidit haec inundatio circa annum 1277’ aldus Wicheringe, zie afbeelding 9). Wat hier gebeurde, was dat realiteit werd verweven met fictie met als gevolg een geschiedenis zowel verdronken in water als gesluierd in mythe. In zijn artikel uit 2009 getiteld Mythe en Realiteit wijst drs. Knottnerus op de meervoudige en dubbelzinnige betekenis die kaarten of elementen van kaarten kunnen hebben. Net zoals kaarten simpele geografische data overbrengen, kunnen ze ook politieke boodschappen verweven in hun verbeeldingen—en in dit geval een boodschap die herinnert aan een bijbels narratief. Knottnerus’ verklaring voor het toevoegen van de mythische vloed uit 1277 aan kaarten uit de 15e eeuw is dat dergelijke kaarten op die manier fungeerde als een waarschuwing tegen maatschappelijke onverschilligheid en tweedracht. Net zoals de bijbelse zondvloed werd het verzwelgen van het Reiderland door het water gezien als het wegwassen van de zonden begaan door zijn bewoners. [4] Emmius vertelt ons hierover: ‘Buren maakten ruzie, de ene edelman benijdde de andere, boeren waren jaloers op elkaar, ambtsdragers kwamen door de haat van hun opvolgers in de problemen, allen bekommerden zich meer om privékwesties dan om de publieke zaak; het respect voor de wetten was verdwenen.’ [5] En met de mythe van de verwoestende creatie van de Dollard in 1277 als antwoord hierop—zo schreef de humanist Willem de Volder in 1553—kwam de nieuwe naam van het voormalige Reiderland bekend te staan als iets wat men associeerde met ‘een dodelijkheid die we allen moeten vrezen.’ [6]

En zo weten we dat cartografische geschiedenis niet altijd is wat het lijkt. Toch (zo vroeg ook Knottnerus zich af) is het de vraag of de cartografen uit die periode mythische ‘lagen’ aan hun kaarten toevoegden voor hun eigen amusement of dat zij dit deden met de intentie om met hun kaarten een diepere betekenis over te brengen. Met andere woorden, waren deze kaarten bedoeld om mensen bewust te houden van Gods toorn, voor het geval bepaalde mensen zich zouden willen gedragen als het volk van het Reiderland—de Atlantiërs van de Klei? Wat we hoe dan ook wel weten is dat verschillende kaarten verschillende betekenissen kunnen hebben en dat via kaarten cartografen boodschappen kunnen communiceren die de geografie ontstijgen—doelbewust of bij toeval of eventueel uit onverschilligheid jegens het juist beoordelen van de betrouwbaarheid van bronnen. Wat de exacte betekenis van de mythische vloed van 1277 ook geweest zal zijn, dit herinnert ons hoe dan ook aan het hedendaagse nepnieuws en allerhande misvattingen die soms zelfs de wetenschap weten te bereiken: nieuws en misvattingen die voor ons het gevaar van inadequaat of subjectief bronnenonderzoek onderstrepen—een gevaar dat schuilt in de cartografie, maar ook in zoiets simpels als het opstellen van een tweet.

Noten

[1] Vredenberg-Alink, J.J. De kaarten van Groningerland: De ontwikkeling van het kaartbeeld van de tegenwoordige provincie Groningen met een lijst van gedrukte kaarten, vervaardigd tussen 1545 en 1864. Uithuizen: Bakker’s Drukkerij, 1974.

[2] Boer, J. J., Ubbo Emmius en Oost-Friesland. Groningen: J.B. Wolters, 1936, p. 43-64.

[3] Knottnerus, Otto S. Dollardgeschiedenis(sen)—Mythe en realiteit. In Karel Essink (ed.), “Stormvloed 1509”—Geschiedenis van de Dollard, Groningen: Stichting Verdronken Geschiedenis, 2013, pp. 95-116. https://www.verdronkengeschiedenis.nl/(…)ssen-opmaak-3def.pdf

[4] Fromm, Hans. “Riesen und Recken.” In Deutsche Vierteljahrsschrift für Literaturwissenschaft und Geistesgeschichte 60 (1986), pp. 42-59. Haubrichs, W. “Ein Held für viele Zwecke. Dietrich von Bern und sein Widerpart in den Heldensagen des frühen Mittelalters.” In dez. et al. (ed.), Theodisca: Beiträge zur althochdeutschen und altniederdeutschen Sprache und Literatur in der Kultur des frühen Mittelalters, Berlijn en New York 2000, pp. 330-363, here 337. Luther, M. “Werke: kritische Gesamtausgabe.” 109 dl., Weimar 1883-2009, dl. 24, p. 164.

[5] Emmius, Ubbo. Ostfriesland (Führung durch Ostfriesland, d.h. genaue historische Beschreibung Ostfrieslands), translated by E. von Reeken. Frankfurt am Main: 1982, p. 19.

[6] ‘Dollarthi rabies priscis ignota furenter quod fluat, ex ipsa re mihi nomen habet. Nomen habet ferale nimis, nobisque timendum’. G. Gnapheus, Aembdanae ciuitatis enkōmion: In Æmbdanæ ciuitatis atque adeò totius Vltramasanæ Frisiæ laudem carmen panegyricum, ex tempore lusum, Emden 1557. De Volder was als ‘meister die de junge heren leerde’ in 1550 betrokken bij de onderhandelingen over de grensstrijd met Groningen. Beninga, Cronicon, dl. 2, pp. 745-46. Onjuiste identificatie bij Van den Broek, Groningen, een stad apart, p. 457.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.