De Groninger Academie & Groningens Ontzet

Het jaar 1672 staat bekend als het Rampjaar voor de Nederlanden. De regering was radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos, zo wil het gevleugelde woord dat een populair cliché is geworden.

Aan alle kanten viel de vijand binnen: de Fransen vanuit het zuiden, de Duitsers vanuit het oosten en de Engelsen vanuit zee. Dit laatste faciliteren was althans mede het doel van de Duitse vijand, maar het mislukte, want halverwege het jaar keerden de kansen en begon de Nederlandse victorie—bij Groningen.

De Academie en het Ontzet in 1672

Ill. 1: “Caerte van de belegeringe en opbrekinge der bisschoppen van Collen en Munster voor de stadt Groningen angevangen den 9 Iulij geeijndicht den 16 Augustij.” Ingekleurde kopergravure van Jan de Fries op basis van een tekening van landmeters Joannes Feltman en Hendrick Bierum. UB Groningen, uklu 01-06-08

Deze in 1674 gemaakte kaart is een verkleinde versie van de op perkament getekende kaart van Jannes Tideman in de Groninger Archieven. Hij laat zien dat de vijand echt wel zijn best had gedaan. Een maand lang belegerden en beschoten de troepen van twee bisschoppen de stad. De vijandelijke troepen lagen alleen ten zuiden van de stad, want de Groningers hadden een flink deel van het omliggende land onder water gezet. Zo kon de stad niet worden omsingeld en niet van alle kanten worden beschoten. Ook bleef zo de aanvoer van voedsel, materieel en troepen mogelijk. Aan de zuidkant lag echter een flinke legermacht van ruim 20.000 soldaten—vanaf de Herepoort en Oosterpoort via het dorp Helpen (nu de stadswijk Helpman) tot aan Haren.

Ill. 2: “De belegringh van Groningen” (Amsterdam: Markus Doornik, 1672). Kopergravure. UB Groningen, uklu 04-08-1672

Vanaf de zuidkant kreeg de stad er dan ook flink van langs. Deze prent laat expliciet en uitbundig zien dat de bommen en granaten in grote getale de stad binnenvlogen. Onder de prent toegevoegd is een ‘oprecht verhaal’ dat een en ander nog eens tot in detail beschrijft. Niettemin bleef de noordkant van de stad grotendeels gespaard, simpelweg omdat de afstand voor het vijandelijk geschut te groot was—nog een voordeel van de onderwaterzetting. In dit noordelijke stadsdeel bevond zich ook de Groninger academie, op dezelfde plek waar zij in augustus 1614 was opgericht: aan de Broerstraat, met het Academiegebouw ten noorden van de straat en de Universiteitsbibliotheek aan de zuidzijde. Ook de professoren en studenten van de Groninger Academie speelden een actieve rol in de verdediging van de stad.

Ill. 3: Andreas Eldercamp, “Journaal ofte Daaglijkse Aanteykeninge van ’t gene ontrent de Belegering van Stadt Groningen Soo buyten als binnen gepasseert is” (Amsterdam: Jacob Vinckel, 1672). UB Groningen, PBG 2827

Zoals de naam Journaal al zegt, doet de auteur hier dagelijks verslag van de belegering van Groningen. Die auteur was Andreas Eldercamp. Hij was predikant in Lutjegast, dus het is niet verrassend dat hij een goede verteller blijkt. Predikanten moesten immers hun gehoor wekelijks weten te boeien en de retorica was dan ook een belangrijk onderdeel van hun opleiding. Eldercamp kan beeldend vertellen en hij verlevendigt z’n verslag met menige anekdote. Zo meldt hij bij donderdag 8 augustus (oude stijl): “Een Vier-bomme uyt Drenckelaers Dwinger valt in des vyandts Wercken op een wagen, steeckt 2. Tonnen Buskruyt aen, en vlogen de hoofden, armen en beenen, en verminckte leeden als kraeyen door de lucht.” (p. 13)

Ook de Groninger academie speelt een rol in dit Journaal. Zo lezen we bij donderdag 25 juli: “Door goede voorsorge van haer Hoogheyt, werden ons uyt Vrieslant tot een auxiliaire Troupen toegesonden derdehalf hondert man, dien de Academie tot haer Quartier wierdt ingeruymt.” (p. 9) Verder vermeldt Eldercamp meermalen het aandeel van de ongeveer 150 studenten die meehielpen de stad te verdedigen. Zij vormden een van de compagnieën die als voorbereiding op het beleg waren gevormd. De studenten deden dit vrijwillig. Formeel waren zij net als de professoren vrijgesteld van militaire dienst, maar zij bleken actief en enthousiast voor hun vrijheid te willen vechten. Dat deden ze onder leiding van hun eigen aanvoerders, de studenten Wicher Wichers (kapitein), Rutger ten Berghe (luitenant) en Scato Gockinga, die het vaandel droeg dat bewaard is gebleven.

Ill. 4: Studentenvaandel met het wapen van de Groninger Academie en de woorden “Deo Patriae Academiae”. Universiteitsmuseum Groningen.

De hoogleraren hadden een reglement voor de studenten opgesteld waarnaar zij zich dienden te gedragen. In de uni-versiteitsbibliotheek, die zich bevond in de voormalige franciscaner kerk aan de Broerstraat op exact dezelfde plek waar de UB nog steeds staat, hadden twee studenten nachtdienst als brandwacht.

In zijn journaal noemt Eldercamp de studenten driemaal expliciet (ill. 5-6):

Eldercamp, Journaal, p. 9
Eldercamp, Journaal, p. 15

(vrijdag 26 juli, bij onverwacht alarm) “Met een wonderlijcke en vaerdige gehoorsaemheydt, was alle man in de Wapenen, en liep tot sijn bestelde Post; de Burgeren van onse Hooge Schole en des Stadts Burgeren waren wel de eerste aen den Marsch.” (p. 9)

“Sondagh den 28. des nachts was wederom Allarm, de Studenten, Burgeren en alle de Militie quam in de Wapenen, en een yegelijck marcheerde nae sijn Post.” (p. 9)

(vrijdag 16 augustus) “… en geschiede des naedemiddaghs, door gecommandeert voet-volck, waer onder veele vrijwillige Studenten en Burgers soons waeren, een heeten uytval, werdende dese troupen gecommandeert door de Overste Wacht-meester Willers, die dit volck onverzaechdelijck, en met dapperen moede aen voerde, tot aen en in des vyandts Loop-graven. Die aldaer de wacht hadden, scheenen seer onbekommert sorghlooser te zijn, als wel te voren; Wierden alsoo, die d’onse viir quamen, geschooten, gezabelt en gebijlt.” (p. 15)

Nadat de bevrijding een feit was, besloot de stad Groningen het ontzet jaarlijks te herdenken op 17 augustus, de eerste dag waarop geen vijandigheden meer hadden plaatsgevonden. Let wel: dit is de datum volgens de juliaanse kalender (of ‘oude stijl’), die in Groningen tot en met het jaar 1700 werd gebruikt—en dus ook door Eldercamp in zijn Journaal. In de gregoriaanse kalender (of ‘nieuwe stijl’), die we nog steeds gebruiken, werd 17 augustus 28 augustus. Daarom viert de Stad sinds de 18e eeuw Groningens Ontzet op die datum.

Ill. 7: Samuel Maresius, “Brevis Discursus De Revolutionibus hujus Anni, Ac nominatim de foeliciter soluto Groningae obsidio” (Groningae Frisiorum: Jacobus Sipkes, 1672). UB Groningen, BACKER 384

De strijd was dus gestaakt op 17 augustus. Slechts zes dagen later, op 23 augustus, opende rector magnificus en hoogleraar theologie Samuel Maresius het nieuwe academische jaar met een toespraak, zoals nog altijd gebruikelijk is. Hij greep de gelegenheid aan om terug te blikken op het roerige jaar zoals dat tot dan toe was verlopen en met name op het recent beëindigde beleg. Voor de bisschop van Münster en die van Keulen heeft hij uiteraard geen goed woord over. In zijn ogen waren ze erger dan de heiden Alexander de Grote, die tenminste eerlijk wilde winnen. De bisschoppen leken eerder op Alexanders vader Philippus: (a3r-v) “Alexander de Grote wilde zijn zeges nooit stelen, maar onze vijanden prefereerden betaling, wilden hun zeges liever met geld behalen dan met zweet en bloed. Hierin volgden ze de tactiek van Philippus van Macedonië, die stelde dat iedere stad veroverbaar was waar je een muilezel bepakt met goud naartoe kon brengen.” In de vorm van een citaat uit het beroemde epische gedicht Aeneis van de Romeinse dichter Vergilius slaakt Maresius dan een verzuchting die nog altijd actueel is: Quid non mortalia pectora cogis, Auri sacra fames? “Wat dwing jij niet af bij mensen, vervloekte honger naar Goud?” Gelukkig trof Bommen Berend in Groningen een sterke tegenstander: (b4v) “Groningen was een te onschuldige vrouw om voor zo’n onzuivere priester, ja zo’n smerige duivel te moeten bezwijken. Elders heb jij kooplui en vrouwen aangetroffen, jij sjacheraar in Christus, maar hier mannen en soldaten. Je kwam en zag, maar overwon niet. Uiteindelijk ben je schandelijk op de vlucht geslagen.”

Ill. 8: Portret van Samuel Maresius (1599-1673), hoogleraar theologie in Groningen 1643-1673. Kopergravure door Theodor Matham naar schilderij van Jan de Stomme (1653). Rijksmuseum, Amsterdam.

Zoals te verwachten bij een orthodoxe theoloog en protestant bestempelt Maresius de steun van God tot de ware oorzaak van de overwinning, maar in deze context komen ook de studenten ter sprake: (c1v-c2r) “Hij is onze God, die ook u, edele en voortreffelijke heren studenten, heeft aangespoord om de wapens op te pakken ter verdediging van het vaderland, de kerk en de academie, om uw bijdrage te leveren aan de krachtige verdediging van de Stad en om als uw credo aan te nemen wat ooit de befaamde Duplessis-Mornay tot het zijne maakte: Met kunde en strijd.”

Deze woorden zijn deel van een lange passage waarin Maresius de aanwezige studenten rechtstreeks toespreekt en hun actieve rol in het ontzet van Groningen bespreekt. Uit zijn hele toespraak blijkt weer eens duidelijk, dat scholing in de niet-christelijke cultuur van de Grieks-Romeinse Oudheid tot voor kort eeuwenlang een basisingrediënt van de academische vorming in Europa is geweest, zelfs van strenge christenen zoals Maresius. Hij merkt nota bene op dat God Groningen tegen ieder wapen heeft beschermd, zoals Athena dat volgens Homerus deed voor Menelaus (c2v).

Maresius, Discursus, fol. b4v
Maresius, Discursus, fol. c1v-c2r
Maresius, Discursus, fol. c1v-c2r
Maresius, Discursus, fol. c4r
Maresius, Discursus, fol. c4v

Zoals gezegd hadden de hoogleraren een reglement voor de studenten opgesteld in de hoop zo hun gedrag te kunnen beteugelen. Dat schijnt al tijdens het beleg niet te hebben gewerkt. In zijn toespraak doet Maresius een nieuwe poging, maar echt gerust lijkt hij er niet op: (c4r) “Ik hoop dat u, geachte heren studenten, zodra u de wapens heeft neergelegd, uit eigen beweging de academische regels zult gehoorzamen, zodat er geen oproer in onze tere republiek ont-staat. In deze hoop sterkt mij met name het vertrouwen dat u, eerwaarde heren curatoren van de academie, met uw gezag mijn tengere positie zult willen steunen.”

Het zal dan ook niet zonder reden zijn geweest, dat Maresius zijn toespraak afsloot met een dringende vermaning aan het oor van de aanwezige studenten: (c4v) “Uitgelezen en dierbare jongelui, u heb ik altijd beschouwd als zonen en dat zal ik ook blijven doen. Breng uzelf ertoe om de academische regels van de Staten van Groningen en Ommeland te eerbiedigen en enthousiast na te leven, zoals ze u nu zullen worden voorgelezen … door professor Mensinga, die is gekozen tot secretaris van de academie. Daartoe roep ik hem nu naar voren. Ik heb gezegd.”

Ill. 13: Portret van Johannes Mensinga (1635-1698), hoogleraar welsprekendheid in Groningen 1667-1698. Universiteitsmuseum Groningen.

Deze Johannes Mensinga—hoogleraar welsprekenheid en een geboren en getogen stadjer—sprak drie maanden later, op 8 november 1672, ook tijdens de bijeenkomst waarbij aan de studenten van de militaire compagnie een zilveren erepenning werd uitgereikt voor bewezen verdiensten tijdens het beleg van Groningen. Tot die dag waren de studenten formeel onder de wapenen gebleven. In zijn feestrede trok Mensinga alle registers open.

Materieel kwam de Groninger academie vrijwel ongeschonden uit de strijd vanwege haar gunstige ligging in het noordelijke deel van de binnenstad, op relatief grote afstand van het vijandelijk geschut. Toch waren de gevolgen van het beleg ook voor de Universiteit groot. Een deel van de studenten had tijdig de stad verlaten, de colleges lagen al met al langdurig stil en Groningen was niet bepaald aantrekkelijker geworden als studentenstad. Voor het studiejaar 1672-1673 schreven zich slechts 43 studenten in. In het laatste kwart van de 17e eeuw zette de krimp van de studentenpopulatie door. Een nieuwe groei en bloei zou nog lang op zich laten wachten.

Theodorus van Swinderen en de herdenking

Ill. 14: Theodorus van Swinderen, “Iets over het volksfeest, te Groningen den 28 augustus 1839 gevierd, ter herinnering van de bevrijding der stad in 1672, benevens eene korte beschrijving van hetzelve; met eenige afbeeldingen van gymnastische oefeningen” (Groningen: Oomkens, 1839). UB Groningen, M.V.O. PORT 58 NO4

Het ontzet van de stad Groningen in augustus 1672 geeft tot op de dag van vandaag aanleiding tot herdenken en feestvieren. Achtentwintig augustus (nieuwe stijl) werd door het stadsbestuur meteen uitgeroepen tot een officiële dank- en feestdag. De nadruk lag op het religieus gedenken: in alle hoofdkerken werden op die dag in de ochtend samenkomsten gehouden. En hoewel er ook over ‘feestvieringen’ wordt gesproken, zal hiervoor aanvankelijk weinig gelegenheid zijn geweest. Gedurende 123 jaar werd 28 augustus op deze wijze herdacht.

Met de komst van de Fransen in 1795 en het begin van de Bataafse Republiek kwam er een abrupt einde aan deze traditie. Het vieren van de nederlaag van een Franse bondgenoot gaf natuurlijk geen pas. Maar het vertrek van de Fransen en de instelling van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden betekende nog niet dat er weer als vanouds kon worden herdacht. Misschien dat juist het einde van het eerdergenoemde Verenigd Koninkrijk mede de aanleiding vormde voor de herinvoering van de feest- en gedenkdag. De Belgische Revolutie van 1831 en de daaropvolgende scheuring van het Koninkrijk maakten in Noord-Nederland nationalistische gevoelens los, waarin de strijd voor het vaderland door de voorvaderen aan betekenis won.

In dat licht paste ook de hernieuwde aandacht voor de strijd in het Rampjaar 1672, met daarin de heldenrol voor de Groningers. In elk geval werd in 1838 een verzoekschrift door vooraanstaande Groninger burgers door het stadsbestuur ingewilligd. Meteen in dat jaar werd er al weer herdacht en gevierd. In 1838 was de voorbereidingstijd nog te kort, maar in 1839 werd het ontzet groots gevierd. Vanaf dat moment kregen de ‘Volksvermaken’ een steeds belangrijker rol met herkenbare elementen zoals een optocht, vlagvertoon, kinderspelen en vuurwerk. Bovendien werden in 1839 ‘gymnastische oefeningen’ aan het programma toegevoegd. Hiertoe werden speciale toestellen ontwikkeld en geconstrueerd. De Groninger onderwijzer R.G. Rijkens speelde hierbij een belangrijke rol. Hij wordt beschouwd als een van de grondleggers van het Nederlands Gymnastiekonderwijs. Bij de viering in 1839 werden deze toestellen voor het eerst met succes gebruikt.

Gymnastische oefeningen: wedhijschen en wedklimmen
Beschrijving van de wedren in hangende korven
De wedren in hangende korven

Theodorus van Swinderen (1784-1851), van 1814 tot zijn dood als hoogleraar Natuurlijke Historie verbonden aan de Groningse Universiteit, was een veelzijdig man. Hij richtte het Koninklijk Natuurkundig Genootschap op en nam het initiatief tot de instelling van het Museum voor Natuurlijke Historie. Maar hij is ook bekend omdat hij de inwoners van de stad en de provincie Groningen meer historisch besef wilde bijbrengen. Niet vreemd dus dat hij een van de initiatiefnemers voor de herinvoering van de festiviteiten op 28 augustus was.

Van Swinderen beschrijft het verloop van de dag in 1839 uitvoerig in zijn brochure (ill. 14). De stad hing vol met vlaggen. Aan de armen werd ook gedacht, “duizend krentebrooden, bij elke van ieder een vierde pond kaas gevoegd was” werden uitgedeeld. Om 10 uur begonnen in de kerken de traditionele erediensten, waarbij ook een Gronings overwinningslied werd gezongen. ’s Middags was er een parade door de Groninger Schutterij en werd het Wilhelmus gespeeld. Op een terrein buiten de Herepoort vonden de genoemde gymnastische spelen plaats. Het moet een feestelijke aanblik zijn geweest: de gymnasten in “hunne voor deze feestviering vervaardigde kleederen, bestaande in lange witte broeken, witte overhemden en ronde witte strooijen hoedjes, op oud vaderlandsche wijze, aan de eene zijde opgeslagen, en voorts met oranjelinten en frissche eikentakjes versierd”. Volgens Van Swinderen werden de spelen door meer dan 10.000 toeschouwers bijgewoond. ’s Avonds was er muziek op de Grote Markt en werd het toneelstuk “De zegepraal van Groningen” opgevoerd. Ook werden er “onschadelijke vuurwerken” afgestoken en vreugdevuren ontstoken. Zo eindigde deze feestelijke dag en begon de traditie van een volksfeest zoals dat sindsdien wordt gevierd.

Groningens Ontzet in de literatuur voor de jeugd

Ill. 18: Aart Cornelis de Zwart, “1672, 28 augustus: de belegering en verlossing van Groningen, aan kinderen verhaald” (Groningen: Verschuir, ca. 1875). UB Groningen, MVO L 27

De hierboven genoemde heren Rijkens en Van Swinderen hadden goed begrepen dat, om een traditie te laten voortleven, het van het grootste belang is om de jeugd bij deze traditie te betrekken. Hun gymnastische oefeningen zijn daar een goed voorbeeld van. Maar ook via de literatuur werd de jeugd vanaf het begin enthousiast gemaakt voor het spannende verhaal van belegering en bevrijding. Vrijwel meteen verschenen er boekjes en pamfletten over de gebeurtenissen in het jaar 1672 speciaal bedoeld voor de jeugd. Het bekendste en gruwelijkste voorbeeld hiervan is “Nieuwe Spiegel der Jeugd, of France Tiranny; Zynde een kort Verhaal van d’Oorspronk en voortgang des Oorlogs 1672. Als mede de schriklyke en onmenslyke wreedheyd en gruwelen, door de Fransen in Nederland, en elders bedreven.” Volgens de ondertitel was dit boek “Zeer nut en dienstig om in de Schoolen geleerd te worden”. Oorspronkelijk verschenen in 1674 kende dit werk vele herdrukken. De editie in het bezit van de UB Groningen dateert uit de tweede helft van de 18e eeuw. In geuren en kleuren worden hierin de gruweldaden van de Franse troepen beschreven. “De Nieuwe Spiegel” bericht overigens niet over de Franse bondgenoten in 1672, zoals de troepen van de Bisschop van Münster.

Titelpagina van “Nieuwe Spiegel der Jeugd” (Amsterdam, Adam Meyer, 2e helft 18e eeuw). UB Groningen, VD 76
Voorbeeld van de Franse gruweldaden zoals afgebeeld in “De Nieuwe Spiegel”

Twee andere boekjes voor de jeugd behandelen juist wel de gebeurtenissen in Groningen. Rond 1875 verschijnt “1672, 28 Augustus, de belegering en verlossing van Groningen aan kinderen verhaald” (ill. 18). De auteur is Aart Cornelis de Zwart (1836-1885), die een tijd hoofdonderwijzer in de stad Groningen was en bekend is als auteur van ruim dertig christelijke jeugdboeken. Ook het werk over 1672 is sterk godsdienstig van aard en volgens het voorwoord bedoeld als een feestgeschenkje waardoor de Groningse jeugd hopelijk de aanleiding en het hogere doel van het vermaak leert kennen. “Vaderlandsche feesten zijn uitmuntend, indien de God onzer vaderen er maar niet bij vergeten wordt.” Wonderbaarlijke ontsnappingen aan een vreselijk lot dat door de bommen van de bisschop dreigde, worden beschreven als het bewijs van Gods voorzienigheid. Mogelijk is het boek verschenen in 1872 ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van de herdenking van het ontzet.

Ill. 21: Titelblad van het jongensboek van Piet Louwerse, met titelprent door Jan Wiegman. UB Groningen, ’EP’EP G 1089

Circa 25 jaar later verschijnt het boek “1672, of Het beleg en ontzet van Groningen”. De UB Groningen bezit hiervan een tweede druk, die verschenen zal zijn na de dood van de auteur, Piet Louwerse (1840-1908). Deze editie heeft een mooie titelplaat van Jan Wiegman (1884-1963), die goed de sfeer van het boek weergeeft. Louwerse vertelt het verhaal van het beleg door de ogen van vier jongens die actief meehelpen om Groningen te verdedigen. Stond bij A.C. de Zwart het Godsvertrouwen centraal, bij Louwerse is er sprake van een vurig nationaal besef en een grote Oranjegezindheid. Oranje gaat hier duidelijk boven Groningen. In deze zin sluit hij aan bij wat ook Theodorus van Swinderen beoogde: een nationaal gevoel, verzameld rond de troon en in vertrouwen op God.

Niet in de tekst vermelde bronnen

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.