Academische portretten: het archief Boering

In de Bijzondere Collecties van de UB Groningen bevindt zich het archief van Geert Boering, hoogleraar Mondziekten en Kaakchirurgie. Dit archief is onlangs ontsloten.

Het bevat materiaal over de functie die Boering, in samenwerking met de directeur van het Universiteitsmuseum, op zich nam toen hij met emeritaat ging: het voortzetten van de traditie van de RUG om sommige hoogleraren met een portret te eren. Onder zijn leiding zijn tussen 2002 en 2015 in totaal 166 portretten vervaardigd door 55 schilders, onder wie bekende kunstenaars als Sylvia Willink (portret Joosse), Matthijs Röling (Bakels en Lokin) en Sam Drukker (meerdere portretten). Bijna alle faculteiten van de RUG zijn vertegenwoordigd.  

Omdat er veel minder vrouwelijke dan mannelijke hoogleraren zijn, vormen vrouwen een kleine minderheid onder de geportretteerden. Niet iedereen wilde zich overigens laten portretteren. Soms had men er het geld niet voor over—hoogleraren moesten het portret zelf betalen—en vond men dat de faculteit zelf maar in de buidel moest tasten. Anderen weigerden uit bescheidenheid of waren ontevreden over de RUG.  Eén hoogleraar weigerde, omdat hij de presentatie in de faculteitskamer “een rommeltje, lelijkheid in het kwadraat” vond. Een ander, omdat hij het psychisch niet aankon en het gevoel had dat hij met een portret onheil over zich zou afroepen. Weer een ander was bang dat men hem ijdel zou vinden.

Professor Nieuwenhuis liet zich portretteren door Trudy Kramer, een kennis. Hij trok het portret echter terug, omdat hij ontevreden was over het resultaat. Dit resulteerde in een enorme rel met uitvoerige artikelen in het Dagblad van het Noorden en de Telegraaf en zelfs een item in het televisieprogramma Kopspijkers.  

Dagblad van het Noorden, 24 september 2003 (fragment)

Boering had niet zoveel op met computers, dus zijn communicatie over de portretten bestaat uit handgeschreven brieven van soms wel zes kantjes. Het is ontroerend te zien hoe zijn handschrift langzaam achteruitgaat naarmate hij ouder wordt. De laatste brieven, vlak voor zijn dood geschreven, vallen bijna niet meer te ontcijferen.

Niet elke hoogleraar die met emeritaat was gegaan of overleden was, kreeg een portret. De faculteitsdecaan moest aangeven of iemand tien jaar of langer hoogleraar was geweest én een goede bijdrage had geleverd. Over dat tweede, subjectieve, criterium ontstond vaak discussie en dat leidde soms tot een felle briefwisseling. Was er toestemming, dan benaderde Boering de kandidaat. Zag deze het zitten, dan kwam Boering op bezoek met voorbeelden van werk van kunstenaars. Sommige kandidaten kwamen zelf met een kunstenaar, maar daar wilde Boering dan wel zeggenschap in hebben. Hij was bijvoorbeeld tegen de keuze van familieleden of vrienden, omdat die volgens hem zelden portretten van voldoende kwaliteit leverden. Om te beoordelen of een kunstenaar goed genoeg was, liet hij zich soms eerst zelf portretteren. Zo bestaan er vijf portretten van hem.

Dagblad van het Noorden, 24 september 2003 (fragment)

Boering deed onderzoek naar kunstenaars, ging naar tentoonstellingen, benaderde galerieën en andere kunstcollecties, en keek steevast naar het televisieprogramma Sterren op het Doek. Ook verzamelde hij kranten- en tijdschriftartikelen over Nederlandse portretkunst. Hij vroeg bevriende kunstenaars om collega’s te recenseren. Hij was speciaal geïnteresseerd in kunstenaars uit de drie noordelijke provincies. Marcel Duran (elf portretten) geeft een inkijkje in hoe Boering te werk ging. Hij kwam regelmatig langs om te zien hoe het ermee stond. Ook liet hij tussendoor foto’s opsturen, die hij dan becommentarieerde. Het moesten goed geproportioneerde, naturalistische portretten zijn in toga en zonder het “kleine koppiesyndroom” want “dan koop je wel erg veel lucht en textiel” volgens Boering. Omdat ze allemaal bij elkaar hingen moest er ook een zekere eenheid zijn. Als Boering wist van een aversie tussen twee kandidaten, zorgde hij ervoor dat hun portretten een flink eind bij elkaar uit de buurt werden opgehangen.

Jaarlijks organiseerde hij een feestelijke bijeenkomst waarbij de portretoogst van dat jaar officieel werd aangeboden in het bijzijn van de kandidaten met familie en vrienden en de betreffende kunstenaars. Er werd een lezing gehouden en er was een chic diner.

Het blad Broerstraat 5 schreef regelmatig over de portrettencollectie. Als het artikel niet naar de zin van Boering was, kon de redacteur een brief verwachten. Ook wanneer naar zijn idee de collectie niet genoeg aandacht kreeg, klom hij in de pen.

Boering was persoonlijk betrokken bij het hele proces. Gebeurde er iets vervelends, dan stuurde hij een brief. Bij de dood van een hoogleraar ontving de weduwe een condoléancebrief. Vervolgens ging Boering dan op tactische wijze over op de vraag of ze misschien een portret van haar man wilde laten maken. Met veel kunstenaars ontwikkelde zich ook een bijzondere verhouding. De aanhef van brieven veranderde dan van “Geachte mevrouw …” in “Lieve …”. De correspondentie ging dan niet alleen meer over het werk, maar ook over hoe zijn hortensia’s ervoor stonden en wat het kerstdiner behelsd had. Ook professioneel was hij betrokken bij de kunstenaars. Hij moedigde bijvoorbeeld iemand aan om meer kleur te gebruiken of om een website te laten maken.

De Telegraaf, 27 september 2003

Het archief biedt verder een inkijkje in het persoonlijke leven van Boering, met name in zijn hobby’s. Dat waren er vele, met als belangrijkste zijn woonplaats en hortensia’s. Als geboren en getogen Drent vestigde Boering zich in het Groningse Noorddijk. Hij zette zich enorm in voor het dorp en werd daarom “de burgemeester van Noorddijk” genoemd. Hij hield lezingen over de geschiedenis van het dorp en regelde een lintje voor een bewoner. Zelf werd hij Ridder in de Orde van de Nederlandse leeuw.

Zijn andere grote hobby was het verzamelen en bewerken van hortensia’s. Zijn tuin stond er vol mee. Hij werkte o.a. mee aan het boek “Encyclopedia of Hydrangeas” en zelfs de weerman van TV Noord zond eens uit vanuit de tuin van Boering.

Geert Boering komt uit het archief naar voren als een zeer capabel, maar vooral ook aimabel en betrokken mens. Iemand die sterk meeleefde met de mensen om zich heen, zoals blijkt uit de vele persoonlijke brieven in het archief. Veel Groninger kunstenaars zullen hem erkentelijk zijn voor het promoten van hun werk en naamsbekendheid. Hij heeft door zijn project in belangrijke mate bijgedragen aan de portrettencollectie van de RUG en aan het voor het voetlicht brengen van de Groninger schilderkunst.

Deel dit

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *