
De collectie van The Delft School of Microbiology behoort tot de meest bijzondere academische verzamelingen van Nederland. Ze vormt een tastbare brug naar de ontwikkeling van de microbiologie als wetenschap en naar de onderzoekers die Delft internationaal op de kaart zetten. Dat deze collectie vandaag de dag nog zo volledig bewaard is gebleven, is in grote mate te danken aan de toewijding van dr. Lesley Robertson. Naast haar wetenschappelijke loopbaan groeide ze uit tot de hoeder van dit unieke erfgoed – een rol die zij inmiddels al bijna vijftig jaar vervult.
Een rijke microbiologische traditie
De wortels van de collectie liggen bij drie invloedrijke hoogleraren: dr. Martinus W. Beijerinck (1851-1931), dr. Gerrit van Iterson jr. (1878-1972) en dr. Albert J. Kluyver (1888-1956). Samen legden zij de basis voor wat zou uitgroeien tot een internationaal toonaangevende onderzoekstraditie.
Beijerinck was de eerste hoogleraar microbiologie in Delft en wordt gezien als de grondlegger van deze Delftse school. Bekend van vele ontdekkingen, was hij de eerste die de term “virus” gebruikte voor het onzichtbare, ziekteveroorzakende materiaal waarvan hij op tabaksbladeren aantoonde dat het zichzelf kon vermenigvuldigen.

Van Iterson jr. was hoogleraar microscopische anatomie en een leerling van Beijerinck. Hij stond bekend om zijn goede onderwijs en zijn onderzoek naar tropische producten zoals rubber en thee, en om zijn werk als biomathematicus. Hij was gefascineerd door de wiskundige principes achter de opbouw en ontwikkeling van planten.
Kluyver was op zijn beurt leerling van Van Iterson en de tweede hoogleraar microbiologie in Delft. Tot zijn belangrijkste bijdragen behoort zijn werk over “de eenheid in de biochemie”: het inzicht dat biochemische processen in elk mechanisme, hoe groot of klein ook, hetzelfde zijn.
Van vondst naar verzameling
In 1974, 18 jaar na het overlijden van Kluyver, begon Robertson als onderzoeksassistent bij de afdeling microbiologie aan de toenmalige Technische Hogeschool Delft. Als jonge Britse vrouw in een door mannen gedomineerde werkomgeving vond zij al snel aansluiting bij twee vrouwelijke collega’s. Tijdens hun gezamenlijke verkenningen van het gebouw aan de Julianalaan, ontdekten zij op zolder een afgesloten ruimte. Daarbinnen troffen zij de volledige inhoud van de voormalige werkkamers van Beijerinck en Kluyver. Deze vondst markeerde het begin van Robertsons langdurige betrokkenheid bij de historische collectie.
Wat begon als nieuwsgierigheid groeide uit tot een serieuze inzet voor het behoud, de ontwikkeling en ontsluiting. Robertson had altijd al interesse in geschiedenis en vond in deze collectie een concrete manier om die interesse te combineren met haar wetenschappelijke carrière. Gedurende al die jaren kon Robertson rekenen op de inzet van vele vrijwilligers, collega’s, studenten, vrienden en andere betrokkenen. Begin jaren ’80 ontfermde ze zich ook over delen van de nalatenschap van Van Iterson, waarna dit werd samengevoegd tot één coherent geheel; The Delft School of Microbiology Archive.

De collectie vormt niet alleen een rijke bron voor de geschiedenis van het microbiologisch onderzoek, maar biedt tevens een uniek inzicht in de onderwijspraktijk in Delft aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.
Tot de belangrijkste onderdelen behoren:
- Uitgebreide papieren archieven met correspondentie, onderzoeksnotities, collegedictaten en financiële documenten
- Botanische onderwijsplaten, deels handgetekend door onder anderen Henriette Beijerinck en Hilda Kern
- Circa 27.000 glasnegatieven, waarvan sommige dateren uit de jaren 1880
- Vroege foto’s en negatieven uit de beginperiode van de elektronenmicroscopie
- Botanische papier-maché modellen van negentiende-eeuwse makelij
- Meubels, instrumenten en microscopen uit de periode 1880–1950
- Monsters en chemicaliën, vaak afkomstig uit het werk van Beijerinck
- Microfiches en bijbehorende apparatuur

Onder Robertsons hoede groeide de verzameling uit tot een klein museum met daarin een reconstructie van “de kamer van Beijerinck”, een plek die actief werd bezocht door studenten, onderzoekers en internationale vakgenoten. Het was geen statische opslagruimte, maar een levendige omgeving waarin geschiedenis en wetenschap elkaar ontmoetten. Die betekenis werd ook erkend door verschillende erfgoedorganisaties, die projecten rond de collectie ondersteunden met subsidies, waaronder het Metamorfoze-programma en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Ze vond bovendien creatieve manieren om de collectie te ondersteunen. Door publicaties, boeken en zelfs kalenders uit te geven, wist ze een klein budget te genereren voor onderhoud en uitbreiding. Een belangrijk onderdeel van haar werk bestond uit documentatie en digitalisering. Zo werden de laboratoriumjournaals van Beijerinck geconserveerd en professioneel gescand. Daarin onder meer een van de eerste notities waarin virussen worden beschreven, een directe link naar Beijerincks baanbrekende werk.
De collectie in beweging
In 2016 verhuisde de afdeling microbiologie naar een nieuw gebouw, waar helaas geen ruimte was voor erfgoed. Robertson en het archief vonden onderdak bij het Science Centre van de TU Delft. Hier werd de kamer van Beijerinck opnieuw gereconstrueerd en toegankelijk gemaakt voor publiek. Toen ook het Science Centre in 2022 moest verhuizen, ging de collectie in opslag. Dit jaar wordt deze gefaseerd overgedragen aan de TU Delft Library, waar de collectie wordt geborgd in de erfgoeddepots. Van daaruit is de collectie wederom beschikbaar voor onderzoek, bruikleen en presentatie.

Tussen wetenschap en erfgoed
Wat het werk van Robertson bijzonder maakt, is de manier waarop zij haar conservatorschap weet te combineren met een actieve wetenschappelijke loopbaan binnen de microbiologie. Na haar promotie op het gebied van afvalwaterzuivering leidde zij een onderzoeksgroep en vervulde ze de functie van hoofd biologische veiligheid aan de TU Delft. In een latere fase van haar carrière breidde zij haar historische belangstelling verder uit met onderzoek naar het pionierswerk van ‘microbioloog-avant-la-lettre’ Antonie van Leeuwenhoek.
Het werk van Lesley Robertson voor The Delft School of Microbiology Archive onderstreept het belang van toewijding voor het behoud van wetenschappelijk erfgoed. Dankzij haar inzet is de nalatenschap van Martinus Beijerinck, Gerrit van Iterson en Albert Kluyver niet alleen bewaard gebleven, maar ook voor een nieuw publiek tot leven gebracht. Hoewel Robertson al enige tijd met pensioen is, blijft ze tot op de dag van vandaag nauw betrokken bij de collectie.