Van Dijksterhuis tot Eisinga: Terugblik op de Dijksterhuislezing 2025

Op donderdag 30 oktober vond in Het Trippenhuis in Amsterdam de Dijksterhuislezing 2025 plaats. Een bijzonder moment, want met deze editie vierde Stichting Academisch Erfgoed haar 25-jarig jubileum. De lezing vormde de aftrap van een jaar vol activiteiten rond het thema Wetenschap van alle tijden. We kijken terug op een inspirerende en feestelijke bijeenkomst.

De middag begon met een gezamenlijke lunch in de grote, lichte eetzaal van Het Trippenhuis. Aan lange tafels, met uitzicht op de groene binnentuin en zonlicht dat door de hoge ramen viel, ontmoetten collega’s uit het veld elkaar in een ontspannen sfeer.

Na de lunch startte het inhoudelijke programma met een panelgesprek, voorgezeten door Chris Dols (RU; dagelijks bestuur SAE, en coördinator Werkgroep Sociale Wetenschappen). Het panel bestond uit Liselotte Neervoort (TUD; Werkgroep Computererfgoed), Marco de Niet (LEI; Werkgroep Born-digital Erfgoed) en Bart Zwegers (UM; Werkgroep Sociale Wetenschappen). De werkgroepen bevorderen interuniversitaire samenwerking via kennisdeling, uitwisseling van best practices en gezamenlijke (onderzoeks-)projecten. In het gesprek passeerden herkenbare thema’s uit het veld van het academisch erfgoed: van de omgang met historische collecties tot de vraag hoe we dit erfgoed duurzaam kunnen borgen en duiden. Daarbij kwam ook de presentatie van immateriële elementen aan bod: wat is academisch erfgoed eigenlijk, en hoe presenteer je onderzoeksconcepten die zich niet in een fysiek object laten vangen, zoals een zwart gat? Het gesprek vormde zo een passende opmaat naar de hoofdlezing.

Na een korte pauze was het woord aan dr. Sandra Langereis, historicus en biograaf. Ze is bekend van haar veelgeprezen studies over sleutelfiguren uit de vroegmoderne kenniswereld, zoals Christoffel Plantijn, Erasmus en, recent, Eise Eisinga. In haar lezing bood Langereis een scherpe en toegankelijke beschouwing over hoe wetenschap ontstaat, wordt ontvangen en betekenis krijgt.

Ze opende met Eduard Jan Dijksterhuis (1892 – 1965), die als één van de eersten een breed toegankelijk overzicht schreef van de wetenschapsgeschiedenis. Zijn “zorg voor stijl” en “didactisch talent” maakten complexe materie begrijpelijk voor een breed publiek. Volgens Langereis verdient zijn werk echter ook een kritische blik: Dijksterhuis beschreef bijvoorbeeld de impact van Newtons ideeën, maar ging nauwelijks in op de maatschappelijke reacties en weerstand die deze opriepen.

Die invalshoek – hoe wetenschappelijke ideeën landen in de samenleving – vormt ook het uitgangspunt van Langereis’ nieuwste boek, waarin Eise Eisinga (1744 – 1828) centraal staat. Eisinga was geen geleerde in academische zin, maar een ambachtsman met nieuwsgierigheid en twee rechterhanden. Dankzij privéonderwijs kwam hij in aanraking met nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten en besloot hij daar zelf iets mee te doen.

Dat resulteerde in zijn inmiddels beroemde UNESCO Werelderfgoed Eise Eisinga Planetarium in Franeker. In tegenstelling tot de ingewikkelde instrumenten in universitaire collecties bouwde Eisinga een planetarium dat juist bedoeld was voor gewone bezoekers. Zijn kracht lag in het toegankelijk maken van kennis: het model liet mensen zien hoe het zonnestelsel werkte en nam daarmee ook angsten weg, zoals de vrees dat de aarde uit haar baan zou raken.

Langereis laat in haar boek zien hoe Eisinga’s planetarium een verschuiving markeert van wetenschappelijk object naar wetenschappelijk erfgoed. Eisinga zelf zag al dat nieuwe ontdekkingen zijn model zouden inhalen, maar beschouwde het juist daarom als een tijdsdocument: een weerspiegeling van hoe men in de Verlichting dacht over het zonnestelsel.

Tegelijkertijd vraagt dit erfgoed om een bredere context. Dat een ambachtsman in Friesland in staat was zo’n ingenieus instrument te bouwen, hangt samen met factoren als verstedelijking, hoge geletterdheid, economische voorspoed en de vrije tijd waarover mensen in die periode konden beschikken; omstandigheden die nauw verweven zijn met de koloniale rijkdom van de Gouden Eeuw. Daarom eindigde Langereis haar lezing met een duidelijke oproep: het is aan universiteiten en erfgoedprofessionals om dit soort geschiedenisverhalen in het Nederlands, inclusief hun volledige maatschappelijke context, te blijven vertellen.