Stichtingsakte Universiteit Utrecht

Collectie: Universiteitsgeschiedenis

Bij de stichting van de Utrechtse universiteit op 26 maart 1636 kreeg de eerste rector magnificus van de Utrechtse universiteit, hoogleraar Bernardus Schotanus (1598-1652), het grote en kleine zegel uitgereikt. Op het bijbehorende tasje is het wapen van de universiteit geborduurd, dat verwijst naar de zinspreuk van de universiteit Sol Iustitiae Illustra Nos. Dit betekent ‘zonne der gerechtigheid verlicht ons’. Met het grootzegel kon men belangrijke akten en promotiebullen met een lakafdruk bezegelen.

Ter gelegenheid van de stichting schreef dichter Borrius een Lofdicht ter Eeren van de nieuw-opgherechte ACADEMIE Tot UTRECHT. Dit begint als volgt:

‘Comt HERS’NEN die daer soeckt tot d’hoochtsen trap te stijghen

Van deuchden, om daer door een grooten naam te krijghen.’

Het had trouwens niet veel gescheeld of de Utrechtse universiteit had in Amersfoort gestaan. In de zeventiende eeuw wilden namelijk zowel Utrecht als Amersfoort een universiteit. Het provinciale bestuur (de Staten van Utrecht) steunde Amersfoort, omdat Utrecht ‘te veel afleyding aan de studeerende jeugd’ zou verschaffen. In 1634 besloot de Utrechtse vroedschap daarom zelf een Illustre School voor hoger onderwijs op te richten. Deze Illustre School van Utrecht had drie faculteiten – theologie, rechten en filosofie – en vier hoogleraren.

In 1636 verhieven de Staten de Illustre School tot Academie. Ze konden toen geen bezwaar meer maken tegen een universiteit, omdat het ze geen geld kostte. De belangrijke gebeurtenis is vastgelegd in de Proclamatie van de Staten van Utrecht. Vanaf 1636 konden studenten dus academische titels en doctorsgraden behalen, waarmee ze in alle universiteiten van Europa terecht konden. Ze hadden ook andere voordelen toen de Illustre School tot Academie werd verheven. Zo hoefden zij geen belasting te betalen op bier en wijn!

« Terug naar Academisch erfgoed